De ene, allerhoogste Godheid deelachtig

331. Woensdag na de Achttiende Zondag na Pinksteren

„O God, gij maakt ons door de verheven uitwisseling der gaven die zich bij het offer voltrekt, aan de ene, hoogste godheid deelachtig. Wij bidden U: zoals wij uw waarheid erkennen, zo laat ons haar eveneens door een waardige levenswandel tot ons eigendom maken” (offergebed der zondagsmis).

1. Nu de eucharistische en liturgische herleving der laatste decennia zo gelukkige vruchten oogst, mogen wij aan de schatten die het Romeinse missaal onder zijn sobere en ingehouden bewoordingen bijna verbergt, niet langer achteloos voorbijgaan. Op het effen, waardige grijs der secreta flonkert ineens zulk een parel als „deelachtig aan de ene, allerhoogste godheid” . Zo staat het daar en zo is de werkelijkheid. Als wij, christenen, onze waarde en waardigheid slechts wilden erkennen ….

Sint Jan spreekt bij voorkeur van het eeuwige leven dat ons is geschonken. Het is eeuwig omdat het goddelijk is. Sint Petrus schrijft: „Gij hebt deel aan de goddelijke natuur” ( 2 Petr.1, 4 ). Dit is een mysterie. „De wereld kent ons niet, omdat zij Hem net kent” ( 1 Joh.3, 1 ). Wij kennen onszelf niet, maar „wij hebben de liefde gekend en geloofd die God ons toedraagt” ( 1 Joh.4, 16 ). Al is het niet mogelijk de genade Gods die ons in Christus Jezus werd gegeven te begrijpen en in menselijke woorden volkomen uit te drukken, het geloof dringt tot deze werkelijkheid door en de liefde ervaart haar.

Door de deelname aan het offer wordt deze goddelijke gemeenschap vernieuwd en verinnigd. In de mis is de christelijke werkelijkheid als in een brand- en kernpunt samengevat: de herinnering aan het lijden en het uitzien naar de onvergankelijke heerlijkheid, de vrucht der verlossing en het zijn in Christus, de gave aan God en de gave aan de mens, de eenheid der christenen en de verzoening der wereld.

2. De mis is op zichzelf genomen van onbegrensde waarde. De sacramenten geven genade ex opere operate , door eigen kracht. Maar deze gaven Gods schenken het eeuwige leven niet zomaar vanzelf. Hoe komt het dat eenzelfde misoffer in een heilige en nederige ziel rijke vruchten van genade werkt, bij een ander weinige of geen, terwijl wellicht een derde door onwaardige communie zijn zondeschuld vergroot? Een kind kent uit zijn catechismus het antwoord op deze vraag: de genadewerking der sacramenten beantwoordt, al wordt zij er niet door veroorzaakt, aan de gesteltenis van hem die ze ontvangt. Deze eenvoudige waarheid is van ontzaglijk practisch belang, vooral in tijden van veelvuldig ontvangen van sacramenten. Ook hier geldt: het getal heeft op zich geen waarde, tenzij er mee samengaat een vermeerdering van kwaliteit (en verhoging van kwaliteit en zuiverheid van mening worden juist verzekerd door het waardig ontvangen der sacramenten: hier bestaat een wisselwerking). Het is daarom dat een zo grondig kenner van het geestelijke leven als Marmion het beginsel kan opstellen: „Als regel hangt onze vooruitgang in de goddelijke liefde practisch af van ons gebedsleven” . Want niets is beter in staat ons voor te bereiden op het waardig en vruchtbaar ontvangen der sacramenten en het eerbiedig bijwonen der mis dan het inwendig gebed en de geest van het gebed. De oude spreuk is hier van toepassing: al wat wij ontvangen neemt onze maat aan. Gods genade is mateloos en louter, maar het vat dat haar opneemt is beperkt en onzuiver.

Wat is het eeuwige leven? Dat zij U kennen en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus ( Joh.17, 3 ). Kan zulk een gave automatisch en als van buiten af, als een stoffelijk cadeau, worden ontvangen? „God is een geest en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden” ( Joh.4, 24 ). Het gebed reinigt onze geest en verenigt hem met God.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee