De farizeeër en de tollenaar

 

272. Tiende Zondag na Pinksteren

Het evangelie van deze Zondag houdt ons de onvergetelijke parabel voor van de farizeeër en de tollenaar ( Lk.18, 9-14 ). Een gelijkenis geeft Jezus hier eigenlijk niet, maar veeleer een zedeschildering van twee eigentijdse figuren, die echter geldig blijft voor alle tijden. De farizeeër is het type van de officiële vromen, de tollenaar dat van de verachte zondaars. Ongetwijfeld zijn niet alle vromen noch alle zondaars zó. De tekst zelf geeft duidelijk aan tegen welk soort personen zij eigenlijk gericht is: „Jezus sprak de volgende gelijkenis met het oog op sommigen, die op zichzelf vertrouwden menend dat zij gerechtvaardigd waren, terwijl zij alle anderen verachtten.” De Heer bedoelt dus de hoogmoedige vrome en de rouwmoedige zondaar. Maar het zou een grote fout zijn te menen dat het type van de farizeeër onder de nieuwe wet is uitgestorven. Laten wij onszelf de hatelijke spiegel van de farizeeër voorhouden om in alle oprechtheid te onderzoeken, of wij daarin geen enkele trek van ons eigen wezen kunnen herkennen.

1. De nederigheid is de moeilijkste deugd. Ze was voor het oude heidendom dat er niet eens een woord voor bezat (want met het woord bedoelde het geen deugd, doch banale gezindheid), gewoonweg onaanvaardbaar. En zo is het gebleven. Ook voor de christen, juist voor de vrome christen, blijft hoogmoed de gevaarlijkste klip. En hoe nauwkeurig kenschetst de evangelist de hoogmoed der vromen als een „verachting van de anderen” . Wij menen tegenover God ons klein en nietig te gevoelen, maar dit belet ons niet onze medemens te minachten. „God, ik dank U dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers … Ik doe dit en ik doe dat …” O, wij zullen ons wel wachten zó te spreken, maar heb de moed door te dringen tot de diepten van uw bewustzijn en zie eerlijk, of ge daar niet vindt de eeuwige vergelijking met anderen, een vergelijking die altijd in uw voordeel uitvalt. Wij kunnen op een dubbel plan de strijd aanbinden tegen deze hebbelijkheid. vooreerst zo, dat wij op zuiver verstandelijke wijze aantonen, dat we een ander niet kunnen noch mogen beoordelen. Want God alleen kent het hart, de mens ziet slechts de buitenkant. En God alleen weet hoe de omstandigheden voor een ander zoveel ongunstiger zijn dan voor ons. God alleen weet, hoe in ’t eind die ander onze armzalige deugd met vele lengten achter zich zal laten. Maar bovenal, nederigheid tegenover de naaste is niet moeilijk, wanneer het ons niet ontbreekt aan echte deemoed tegenover God. Het is onmogelijk dat wij onze naasten minachten, indien wij zuiver staan tegenover God. In het licht van die verhouding vallen alle menselijke verschillen weg. Natuurlijk bestáán die verschillen, maar ze liggen op een geheel andere plan, in een andere dimensie. Mens staat tot mens in hetzelfde vlak, maar tot God in oneindige diepte.

2. De tollenaar zegt ons het eeuwig gebed voor van elke mens, die zichzelf kent voor wat hij werkelijk is: schepsel en zondaar. „O God, wees mij zondaar genadig” . Nederigheid is de deugd die door een waarachtige zelfkennis de mens in zijn eigen oog verachtelijk maakt ( Sint Bernardus ). En omdat de mens geen onafhankelijk, doch een volkomen betrekkelijk wezen is, is zelfkennis onmogelijk zonder de vergelijking met God, die alle eigenroem de mond stopt ( Rom.3, 19 ).

„Ik zeg u: deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug.”„Want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade” ( 1 Petr.5, 5 ): de grondwet der goddelijke economie.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee