De gave Gods

130. Vrijdag na de Derde Zondag van de vasten

Elke christen die ooit getracht heeft als waarachtig christen te leven weet in het diepst van zijn hart welk onaantastbaar ideaal, welk intens geluk hem toen wenkte. Hij weet dat het reëel vóór hem heeft gestaan. Hij weet ook dat ook nu nog die mogelijkheid, die goddelijke kans voor hem openstaat. Menigeen zal dit ontkennen en het verlangen dat hem eens bezielde verwijzen naar het domein van de illusies der jeugd die door de ervaring van het leven en een rijper inzicht in de eigen mogelijkheden met recht zijn verdrongen. Maar in zijn innerlijkst geweten is hij zo zeker niet. Wie God eenmaal heeft geproefd, verliest die smaak nooit geheel, al werd hij wellicht bitter als as. En deze mens weet ook dat wat hem weerhield voort te gaan niet de onbereikbaarheid was van het einde, maar heel gewoon het egoïsme dat hem terugwierp op zichzelf. (En er zijn duizend vormen van zelfzucht, ook moedeloosheid kan daartoe behoren.) Wat Jezus in het evangelie van heden zegt tot de samaritaanse, zegt Hij tot ons allen. Omdat zij met haar zes mannen duidelijk een zondares is die buiten de grenzen van het burgerlijke type valt, menen wij dat zij anders is dan wij. Maar de Heer zegt tot haar hetzelfde als wat Hij allen toefluistert die worden uitgenodigd voor God alleen te leven. „Als gij de gave van God zoudt kennen …” En ook: „Als bij wist Wie het is die dit tot u zegt” ( Joh. 4, 10 ). De Heer smeekt ons: „Ach, wees een ogenblik stil en keer in tot uw beter ik. Herinner u hoe Ik u riep en hoe de eerste dronk u smaakte en bedenk hoe de Bron zal zijn” . Als wij Gods gave kenden en als wij Hem kenden, als wij, geroepenen en uitgelezenen, slechts wilden beseffen wat Hij ons biedt, als wij slechts zijn stem niet wilden smoren met al de geluiden die wij naar believen oproepen, — wij zouden de woestijn niet vrezen.

Ook tot ons zegt Hij: „Wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een steeds opwellende bron die eeuwig leven schenkt” ( Joh. 4, 14 ). Wij weten dat zijn belofte niet bedriegt. Wij weten dat Hij niet lichtvaardig speelt met de dorst van ons arm hart. Zijn gave is het levende water. De fontein is de Geest die ons drenken wil met liefde en met God verenigen in een omhelzing zonder einde.

Waarom geloven wij in Hem niet zó dat wij Hem volgen in de woestijn en het kruis vastgrijpen waar wij Hem op aarde alleen kunnen vinden?

„Wij deinzen terug zodra God zwijgt, dat wil zeggen juist op het ogenblik waarop zich in dorheid de ware vooruitgang begint af te tekenen, waarop de gevoelige godsvrucht ons niet langer afwendt van Hem die wij zoeken. De moed ontzinkt ons, zodra wij de naakte woestijn van het Geloof betreden, terwijl wij eigenlijk de eerste stap zouden zetten in de richting van de ongedachte ontdekking.”

Wie zijn leven verliest zal het vinden. Wie door de nauwe poort gaat en langs de smalle weg, zal een geluk winnen zó groot dat het in aardse vreugde niet kan bestaan. Wie de tocht waagt door de woestijn, zal zich eenmaal laven aan de bron van het eeuwige leven. En zo wij terecht menen dat onze krachten ontoereikend zijn, laten wij dan dat andere woord des Heren niet vergeten: „Indien gij die slecht zijt goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal uw hemelse Vader de goede geest schenken aan wie er Hem om vragen!” ( Lk. 11, 13 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *