De gebreken van ons gebed

251. Zevende Zondag na Pinksteren

„Niet ieder dit tot Mij zegt: „Heer, Heer!” – zal ingaan in het rijk der hemelen, maar die de wil doet van mijn Vader in de hemelen” ( Mt. 7, 21 ; evangelie)

1. Redt het gebed dan niet? Haalt men niet immer het woord aan van de kerkleraar Sint Alfonsus : „Wie bidt, wordt zalig. Wie niet bidt, gaat verloren” ? Zegt de Schrift zelf niet: „Eenieder die de naam des Heren aanroept, zal gered worden” ( Rom. 10, 13 )? Maar Christus verklaart in het evangelie: „Niet ieder die tot Mij zegt: „Heer, Heer” , zal ingaan in het rijk der hemelen” . — Het gebed in Christus’ naam is onze grootste kracht op aarde en een sterke steun, maar alleen het gebed dat voortkomt uit „een goed en vroom hart” ( Lk. 8, 15 ). Dat hart is de bron waaruit alle goeds en kwaads opwelt, de bodem die de regen der genade opvangt, de boom waaraan de vruchten ontspruiten. „Een kwade boom kán geen goede vruchten en een goede boom geen slechte vruchten voortbrengen” (evangelie). Het smeekgebed is geen instrument, dat wij in de hand nemen om daarmee een bepaald effect te bereiken en daarna weer wegbergen, maar een vrucht van ons hart die opkomt en groeit in ons, die waard is wat onze wil waard is. En onze wil is slechts goed voorzover hij overeenstemt met de wil van de Vader in de hemel.

Zo kan ons gebed gebrekkig zijn en zonder werkdadigheid om allerlei redenen. Het lijdt dikwijls aan egoïsme en engheid van gezichtskring: al te zeer beperkt tot het tijdelijke, of tot de persoon van de bidder zelf, zijn dierbaren of de nauwe kring van zijn eigen mensen en volk, terwijl toch ons gebed wereldwijd moet zijn als de Kerk en het rijk van de Vader, die zijn zon laat schijnen over rechtvaardigen en bozen. Of er schuilt een adder onder het gras van schoonklinkende woorden: „Als gij uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, voor het altaar; ga u eerst met uw broeder verzoenen en offer dan uw gave” ( Mt. 5, 23. 24 ). God wenst geen offer van een die zijn naaste verongelijkt. Niet zelden ook belet onoprechtheid verhoring; wij zeggen God te beminnen, in vele formules, maar onze daden en zelfs ons ernstig pogen zijn daarmee niet in overeenstemming. Alle gebreken van ons gebed komen hieruit voort dat wij niet ernstig trachten te voldoen aan Jezus’ eis: „de wil doen van de Vader, die in de hemel is” . Gehechtheid aan eigen wil is het grootste obstakel. Wordt niet dikwijls het smeekgebed een middel om onze eigen zin door te drijven bij God? Beschouwt men niet ooit de vele oefeningen en novenen als een soort tovermiddel om op God in te werken?

2. Terwijl het gebed juist het grote middel moet zijn om ons te verenigen met Gods wil. Het ware gebed is dan ook ascensio mentis in Deum , opgang der ziel tot God. Het moet onze wil, het onstuimige begeren van ons hart, opheffen tot het niveau van de goddelijke wil en daar tot rust brengen. Hier ligt het antwoord op de vraag: hoe is met Jezus’ absolute belofte van gebedsverhoring het feit te rijmen dat de meeste van onze gebeden zonder gevolg blijven? Omdat deze belofte alleen geldt voor het zuivere gebed dat voortkomt uit een hart met Gods wil bij voorbaat verenigd. Een goedkope oplossing, zal de spotter zeggen: wil wat God wil en denk, dat alles wat gebeurt Gods wil is. Maar de Schrift zegt: „De Heer is allen die Hem roepen nabij, allen die Hem aanroepen in oprechtheid. Hij vervult de wens van die Hem vrezen, Hij hoort hun geschrei en verlost hen” ( Ps. 144, 18. 19 ). Geef uw wil op en gij zult uw wil gelouterd hervinden in God. „Die uw wet liefhebben genieten grote vrede; zij struikelen niet” ( Ps. 118, 165 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *