De goede aarde

100. Woensdag na Sexagesima

Wij moeten niet alleen weten welke klippen te vermijden zijn (meditatie 97), het is veel voornamer nog positief de hoedanigheden te kennen die alleen in staat zijn Gods woord vrucht te doen dragen. Wat is er nodig opdat zijn woord en genade in ons tot volle wasdom geraken? Welke gesteltenissen wil de Heer bij ons vinden? Jezus vat ze samen in het laatste vers van het evangelie van de Zondag ( Lk. 8, 15 ), heel kort, maar al het essentiële ligt er in opgesloten. „Het zaad dat in de goede aarde valt, dat zijn zij die het woord met een goed en edel hart aanhoren, het bewaren en vrucht dragen in volharding.”

1. „Het woord aanhoren met een goed en edel hart.” De bodem moet goed zijn en bereid, het hart gewillig en edel. Dat is het eerste. (En het voornaamste: een christen is geneigd te menen dat als het woord slechts een redelijke kans krijgt, het nooit weer geheel verloren gaat.) Tegenover Gods openbaring en genade, tegenover de inspraken en aansporingen die Hij ieder mens op zovele wijzen geeft, moeten wij staan: nederig, eerbiedig, bereidwillig en dankbaar. Deze zielehouding van ontvankelijkheid tegenover God en zijn gaven is onontbeerlijk, niet alleen om aan te nemen maar zelfs reeds om te kunnen zien. Het geestelijke leven is geen meetkunde. Wie niet zien wil, ziet ook niet. „Indien iemand bereid is Gods wil te volbrengen zal hij vermogen te onderscheiden of mijn leer van God komt of van Mijzelf” ( Joh. 7, 17 ). Het woord en de genade van God zijn gaven die de mens niet dwingen, want Hij wil in vrijheid en liefde gediend zijn. Maar de mens mag ze niet met eigenwijsheid becritiserennoch hoogmoedig afwijzen noch achteloos daaraan voorbijgaan.

2. Na het woord gehoord en opgenomen te hebben moeten wij het als een kostbare schat die wij dragen in de ellende van onze lemen vaten, met ernst en aandacht bewaren , het licht en de genade van God vasthouden als onze onvergankelijke rijkdom en dat geestelijk bezit met zorg cultiveren. Noch de grote beproeving noch de duizenden zorgen mogen het aantasten. Juist daarom spoort de Heer ons onophoudelijk aan ons hart vrij te maken van de vele banden der tijdelijke dingen om het des te vaster te hechten aan het éne noodzakelijke.

„Bewaren” klinkt conservatief, maar is het niet. Het is reeds veel indien gij de eerste ijver van uw priesterjaren of noviciaat, het zalige vuur van de bekering uws harten tot God onverlet en ongerept weet te behouden. Want de genade van God is zo (en ook het leven is zo) dat indien gij werkelijk dit zaad ongeschonden bewaart, er geen stilstand mogelijk is. De beproevingen van het leven alleen al en uw eigen geestelijke ontwikkeling dwingen u ook in bovennatuurlijk opzicht te groeien op straffe van achteruit te gaan.

3. Zo zal het goddelijke zaad in ons wortel schieten, ontkiemen, groeien en vrucht dragen, maar nog alleen in patientia , dat is: door volharding en geduldig verduren beide. Volhouden en uithouden. Noeste arbeid en onversaagd dulden. Rijpheid komt nooit dan door veel kruis en lijden. Als de graankorrel niet sterft, blijft hij alleen. God heeft de tijd en wie Hem trouw blijft, in hem zal het zaad vrucht dragen voor het eeuwige leven, „dertig-, zestig-, ja honderdvoudig” . „Het water dat Ik u geven zal, wordt een bron die opwelt ten eeuwigen leven” ( Joh. 4, 14 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *