De Heer is God

54. Zaterdag na de Eerste Zondag na Driekoningen

„Juicht Gode toe, gij ganse aarde! Dient de Heer met vreugde. Treedt voor zijn aanschijn met jubel. Want Jahweh, de Heer, Hij is God” ( Ps. 99, 1. 2 ; offertorium van de Zondag).

1. „De Heer is God.” Hij, die de Kerk aanbidt in haar eredienst en die wij zoeken in ons gebed, is God . De oneindig volmaakte, de Heer van hemel en aarde, de ongeschapen liefde, die zich aan ons heeft geopenbaard in zijn enige Zoon Jezus Christus. Het is ons onmogelijk over Hem te spreken in onze mensentaal zonder te vervallen in een armzalig gestamel. Maar wij weten dit: Hij is tegelijk de oneindig Werkelijke en de Onuitsprekelijke. Wanneer wij ons in het gebed geleid door het zuivere geloof, voor zijn aanschijn stellen, wéten wij, zien wij als in één blik van onze geest, de oneindigheid en onuitsprekelijkheid van zijn wezen en tevens onze eigen grondeloze onwaardigheid. In dat licht worden wij ons bewust van onze nietigheid, van ons duister, van onze volstrekte hulpeloosheid. Het gaat hier niet allereerst om het bewustzijn van bepaalde zondige daden, veelmeer om iets zo fundamenteels dat ons eigen wezen daarmee schijnt samen te vallen. En dat is ook werkelijk zo: tegenover God geplaatst zijn wij niets. En wij gevoelen de sterke neiging ons ten gronde toe te vernederen voor die majesteit, zó diep dat dieper afdalen onmogelijk is.

Tegelijkertijd worden wij gewaar hoezeer geheel ons wezen naar God wordt getrokken, hoezeer Hij voor wie onze onwaardigheid zich vernedert, „ons trekt met de banden der liefde” . Wanneer wij de stilte hebben gemaakt in onze ziel (want van zelf ontstaat die niet), wanneer wij met Gods hulp er in geslaagd zijn werkelijk alleen te zijn bij Hem, wanneer wij, al is het voor één ogenblik, Hem mogen zien zoals Hij is en onszelf, wanneer wij voor één moment de angst en de ijdelheid hebben gedoofd, dan zou ons wezen als een pijl gericht naar Hem snellen en daar willen verblijven om met Hem te zijn voor eeuwig. Want Hij is waarachtig God.

2. Moeten wij zeggen dat deze beschouwing alleen voor de zaligen is weggelegd? Inderdaad, de aanschouwing Gods van aanschijn tot aanschijn maakt het wezen uit van de hemelse vreugde. Maar ook op aarde is een liefdevolle, inwendige aanhankelijkheid aan de Heer mogelijk in de duisternis van het geloof. Zij is niet alleen mogelijk, zij is bovenmate wenselijk, zo leren ons de heiligen. Deze beschouwing Gods in het zuivere geloof zal slechts moeizaam en dan nog voor korte ogenblikken worden bereikt. Maar het standvastige streven daarnaar zal onze liefde louteren en sterken als niets ter wereld.

Hoe moeten wij daarnaar trachten? Vooreerst door met een groot geloof deel te nemen aan de eredienst der Kerk. In de geheimen, die de liturgie viert, wordt ons de genade geboden van een geheel bijzondere tegenwoordigheid Gods. Wij moeten bedenken, dat het objektieve zijn en de objektieve geest der liturgie meer betekenen dan onze persoonlijke beleving. Natuurlijk is deelname aan de eredienst onmogelijk zonder een zekere mate van subjektieve belevenis, maar deze is niet het voornaamste. Niet alleen de liturgie zelf, ook ons eigen geloof gaat onze ervaring te boven. En tegelijkertijd moeten wij Jezus zijn kruis nadragen. Want de beschouwing verdraagt geen dilettantisme, zij is geen spel van de geest voor een bepaald type mensen. Zij is bittere werkelijkheid of zij is niet. Bedenk dat het God is die wij zoeken, de Onuitsprekelijke, die oneindig verheven is boven alle schepselen, die wij verloren hadden door de zonde, die wij slechts vinden kunnen in de gekruisigde Christus. Hier geldt ten volle het woord: „In de krijgsdienst der Liefde kunnen allen gewonde soldaten dienen” ( Thornton Wilder ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *