De heerlijkheid van de Eengeborene

61. Zaterdag na de Tweede Zondag na Driekoningen

Overwegen wij nogmaals het evangelie van de vorige Zondag ( Joh. 2, 1-11 ). Niet zonder reden plaatst de liturgie deze passage van het vierde evangelie op deze dag. Want zij verhaalt ons van die derde openbaring van Jezus’ heerlijkheid, welke het feest van de Epiphanie, met de verschijning aan de wijzen en de doop in de Jordaan, herdenkt. Dit is ook precies de zin, die de evangelist aan zijn verhaal wil geven: „Zo deed Jezus zijn eerste wonder te Kana van Galilea en openbaarde Hij zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden Hem.”

1. Het is het eerste van de betrekkelijk weinig wonderen waarover Johannes in zijn evangelie bericht. Hij noemt deze wonderen tekenen. Zij zijn dit niet enkel in de algemene zin, waarin alle wonderen dat zijn: uitingen van de goddelijke almacht. Johannes heeft daarbij nog een heel bijzondere bedoeling. De wonderen, die hij verhaalt, beelden de werkelijkheid uit, waarvan hij sprak in de proloog: „Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid” ( 1, 14 ) De evangelist wil hiermee zeggen, dat de menswording van het Woord openbaring van God is en dat de leerlingen in en door het geloof die goddelijke heerlijkheid in het vlees hebben aanschouwd. Daarom zijn de wonderen in het vierde evangelie openbaring van de goddelijke heerlijkheid van de Eengeborene. Zij onthullen in de realiteit van onze menselijke wereld en dus voor mensen verstaanbaar, de onze wereld te bovengaande en doordringende werkelijkheid van Hem, die de goddelijke openbaring en verlossing brengt en is.

De opwekking van Lazarus is het „teken” van het woord: „Ik ben de verrijzenis en het leven” . De genezing van de blindgeborene beduidt: „Ik ben het licht der wereld” . De broodvermenigvuldiging: „Ik ben het brood des levens” . De genezing van de lamme op de sabbat betekent: „Mijn Vader werkt tot heden toe, zo doe Ik ook” .

2. Daarom zegt de evangelist, dat Jezus door dit wonder, dat Hij toch ook ten aanschouwe van anderen verrichtte, zijn heerlijkheid openbaarde en dat zijn leerlingen in Hem geloofden. Zij geloofden reeds in Hem; anders konden zij niet zijn leerlingen worden genoemd. Maar door dit eerste wonderteken, waarvan zij getuigen waren, werd hun geloof vermeerderd en versterkt. Ook ons geloof is voor een onbeperkte verdieping vatbaar en zulk een groei is de door God gewilde normale ontwikkeling van het christelijke leven.

Misschien hebben de leerlingen zich later, toen Jezus het woord sprak: „Ik ben de ware wijnstok en gij zijt de ranken” , dit overdadige wijnwonder herinnerd. Of hebben zij hieraan teruggedacht, toen de Heer de Eucharistie instelde en hun de beker des heils reikte. Hoe dit ook zij, de Kerk plaatst ook ons dit tafereel voor ogen wederom als epiphanie, als verschijning des Heren, als openbaring Gods in de werkelijkheid van het menselijk zijn.

3. De les, die wij uit dit verhaal moeten trekken, is geen andere. God heeft zich in Christus aan ons geopenbaard. Wie hiervan doordrongen is, weet, dat dit een onzegbaar geluk is. Deze openbaring wordt ons in de geheimen der liturgie meegedeeld. Wij zijn getuigen van de heerlijkheid van de Logos . Geloofsgetuigen…

Getuigen door het geloof (en daardoor alleen), getuigen wij ook van dit geloof, van deze heerlijkheid Gods, die ons in dit geheim wordt geopenbaard, van deze overstelpende geestelijke levensvreugde, van deze weelde. De heilige moeder Kerk bewaart voor ons deze wijn, die Christus is.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *