De Heilige Geest en de Kerk

203. Pinkstermaandag

„God, die uw apostelen de Heilige Geest hebt meegedeeld, verleen uw volk de vrucht van vrome smeking: geef hun, wie Gij het geloof hebt geschonken, ook de vrede” (oratie).

Het verwondert ons wellicht bij eerste lezing dat de oratie van heden, waarin de Kerk als altijd bidt om de vrucht van het mysterie, slechts in algemene termen vraagt om de „vrede” en niet, of althans niet uitdrukkelijk, om de Heilige Geest en zijn gaven. Maar deze „vrede” is even goed als het „geloof” dat de christenen reeds bezitten, een gave van Gods Geest; ja zelfs de „vrome smeking van Gods volk” moet aan zijn werking worden toegeschreven. „Gods volk” dat is de Kerk. Tussen de Heilige Geest en de Kerk bestaat een innige verhouding. Hij schenkt haar heiligheid en eenheid. De „vrede” waarom wij vandaag bidden, is niets anders dan deze heilige eenheid.

1. „Christus heeft de Kerk bemind en zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen en te zuiveren …, om zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en zonder enige smet” ( Eph. 5, 25-27 ). Heiligheid is het onvergankelijk kenmerk van Gods Kerk. Jezus’ Geest schenkt deze heiligheid. Want Hij „die de vergiffenis is van alle zonden” (postcommunie van Dinsdag na Pinksteren), reinigt haar van alle smet. En Hij, door wie wij „verzegeld zijn” ( Eph. 1, 13 ) en gewaarmerkt als kinderen van God, wijdt ons de Vader toe. Zo wordt de Kerk Christus’ Bruid, vrij van alle vlek en rimpel der boosheid en in bovennatuurlijke schoonheid haar Heer behagend.

De essentiële heiligheid der Kerk is onverliesbaar, want deze is met haar wezen gegeven. Maar de uitstraling van de innerlijke schoonheid der Bruid is afhankelijk van onze medewerking. Er zijn tijden geweest in de geschiedenis der Kerk waarin haar heiligheid helder straalde voor het oog van alle goedwillenden, en andere waarin die glans verduisterd was, vooral door de zonden der godgewijde zielen. Het is onze grote plicht tegenover God en tegenover de mensheid, voor wie de Kerk een schitterend en zichtbaar teken moet zijn, door persoonlijke inspanning tot het uiterste de schoonheid van Christus’ Bruid te vermeerderen. Heiligheid is toewijding aan God. Bidden wij tot de heiligmakende Geest, dat Hij bezit neme van onze ziel en dat al haar krachten Gode gewijd mogen zijn.

2. Alleen op de bodem van deze heiligheid ontstaat de ware, bovennatuurlijke eenheid der christenen. Ook deze is een kenteken van Christus’ Kerk. Eenheid van geloof en eredienst, eenheid van gezag en leiding, maar ook levende eenheid van liefde. En geen kunstmatige eenheid die de verschillen verdoezelt en doodzwijgt, maar een die boven alle verdeeldheid van ras en stand, van bezit en begaafdheid uitgroeit tot de vrede van Christus. Dit kan alleen de Heilige Geest bewerken. De stoffelijkheid verdeelt de mensen, de Geest maakt ze één. Maar niet de vaag humanitaire of strijdbaar communistische geest, doch enkel en alleen de Geest van de gekruisigde Meester, die leeft in onze harten en de afzonderlijke christen (u en mij) brengt tot zelfverloochening, tot de reële beoefening van Jezus’ gulden regel: „Al wat gij wilt dat de mensen u doen, doet het ook hun” ( Mt. 7, 12 ). Zo alléén, langs de weg van concrete daden en offers, maar ingegeven door zuivere liefde, standvastig en trouw in praktijk gebracht, kan Jezus’ ideaal werkelijkheid worden: „Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij tot de volmaakte eenheid geraken” ( Joh. 17, 23 ). — Kom, Heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur uwer liefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *