De kelk van Jezus drinken

121. Woensdag na de Tweede Zondag van de vasten

Het evangelie vermeldt de derde voorspelling die Jezus aan de leerlingen deed over zijn naderend lijden en sterven. Hij voegde daarbij zoals altijd de aankondiging van zijn verrijzenis. En evenals de beide vorige malen, stoot Hij op wanbegrip, deze keer op bijzonder smartelijke wijze. Ook de meest geliefde apostelen blijken de geest van de Meester niet te verstaan. Jakobus en Johannes , menend dat het glorieuze aardse rijk waarvan de Joden droomden nu toch wel nabij moest zijn, trachtten met behulp van hun moeder en met listig voorbijgaan der anderen zich van de ereplaatsen in dat rijk te verzekeren. „Jezus antwoordde hun: „Gij weet niet wat gij vraagt. Kunt gij de kelk drinken die Ik moet drinken?” Zij zeiden: „Dat kunnen wij” ( Mt. 20, 22 ). Er zijn weinig plaatsen in het evangelie die zozeer Jezus’ geestelijke eenzaamheid aantonen als dit vers: de besten van de besten begrepen Hem niet in de meest wezenlijke dingen waarvoor Hij gezonden was. Het overmoedige „Ja, wij kunnen uw kelk drinken” , — haastig uitgestoten om toch maar aan alle eisen te voldoen en de begeerde posities te bemachtigen — is eer in tegenstelling met de droevige ernst van de Meester: „Gij beseft niet…” Later hebben zij Hem begrepen en de kelk geledigd tot de bodem.

1. De beker van Jezus bevat alsem en honing. Wij moeten beide willen drinken. Hier op aarde kunnen wij ook alleen maar beide te samen proeven. het is onmogelijk tot de zoetheid te geraken die op de bodem verborgen ligt zonder door de zee van bitterheid te gaan die Jezus’ lijden is. Zo luidt de grondwet van de verlossing die God ons heeft geopenbaard en die wij ons steeds, maar heel bijzonder in deze weken van vasten- en passietijd voor ogen moeten stellen: „Slechts zo wij met Hem lijden, zullen wij met Hem worden verheerlijkt” ( Rom. 8, 17 ). Het is waar dat de Apostel hier en elders ( Rom. 8, 18 ; 2 Kor. 4, 17 ; vgl. 1 Petr. 1, 6 ) het lijden van deze tijd bagatelliseert. Doch hij doet dit alleen door de vergelijking met de toekomstige heerlijkheid. In dat vuur zal alle smart verdampen en verdwijnen als een waterdruppel, zoals ook de zieke die genezen is en tot het leven teruggekeerd, van de doorstane ellende nauwelijks de herinnering bewaart.

Voor ons is ’t noodzakelijk de christelijke lijdensplicht ernstig te nemen. Als wij er licht over denken, dan is dat niet omdat wij van de hemelse heerlijkheid een helder besef en een vaste verwachting hebben, maar omdat wij oppervlakkig leven en lijden ontvluchten willen, zelfs in ons denken. Christus’ woorden in het evangelie van heden en elders laten geen twijfel over. Het dragen van het kruis en de zelfverloochening behoren tot het wezen van het christelijke leven en men voldoet aan Jezus’ eisen niet door afzonderlijke daden van versterving, hoe goed en nuttig ook. Wat Hij bedoelt is een totale levenshouding die het lijden om zijnentwil en de smartelijke onthechting aanvaardt als vast bestanddeel van het leven waarmee men naar bed gaat en elke morgen opstaat. (En daarom kan het, van de aarde af beschouwd, wel ooit een zee van bitterheid lijken.) De ware leerling ziet het lijden niet meer als iets wat er somtijds bijkomt en eigenlijk niet in zijn bestaan thuishoort, maar als datgene wat hij niet meer missen wil. Het kruis (in een van zijn vele vormen) wordt hem de zekerste waarborg dat hij bij Jezus hoort. Ontbreekt dat, dan vreest hij de Heer niet geheel te behagen. De onthechting om Christus’ wil geeft aan heel zijn leven een bepaalde kwaliteit (die hemels is).

2. Maar het is zijn kelk die wij drinken mogen. En daarom houden wij de ogen gericht op Hem die ons voorging. Wij hebben zijn lijden aanschouwd en zijn Geest ontvangen. Wij weten wat wij vragen als wij bidden (en hoe vurig) deel te hebben aan zijn rijk. Als wij Hem met geloof aanzien, beginnen wij te verstaan hoe diepe teugen wij moeten nemen, mogen nemen van zijn beker. Wat ons kruis opnemen betekent, beseffen wij als wij de naaktheid van zijn kruis beschouwen. Als wij maar met geloof en liefde blijven opzien naar Hem, zullen wij niet langer kunnen dulden dat ons leven zo laf is en geleidelijk zal onze miserabele zelfzucht verteren in het vuur dat er uitgaat van zijn gekruisigde liefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *