De kennis van Gods wil

343. Maandag na de Twintigste Zondag na Pinksteren

„Weest daarom niet onverstandig, maar tracht de wil des Heren te verstaan” ( Eph.5, 17 ; epistel van de Zondag.)

1. Wij weten allen dat de heiligheid bestaat in een zo volkomen mogelijke omhelzing van de goddelijke wil, zowel actief als passief, zowel door uit te voeren als door te aanvaarden. Want indien onze liefde zich niet aldus uit, blijft zij onvruchtbaar gevoel, — en de volmaakte liefde is niets anders dan volstrekte vereenzelviging met het goddelijke welbehagen, dat is met God zelf, gevangenschap van de menselijke wil die in het onmetelijke goed wordt bevrijd. En wij weten ook, waar wij de uitdrukking van het goddelijke welbehagen moeten zoeken: in de uitspraken van ons geweten en het evangelie, in de leiding der Kerk, in de rechtmatige bevelen van onze rechtmatige overheid, in de plichten van onze staat, in het verkeer met onze naasten, in de gebeurtenissen der wereld en de dingen van alle dag, in kruis en lijden. Maar het is onmogelijk een star schema op te stellen waarin wij Gods wil zouden kunnen vangen. De hulpbronnen der liefde zijn onuitputtelijk. God vraagt niet van allen hetzelfde (al zijn er — natuurlijk! — essentiële dingen die van een ieder worden gevraagd). Tussen de ziel, die zich door gebed en overgave de soepelheid der liefde heeft verworven, en Christus’ genade voltrekt zich een spel van goddelijke vrijheid vol verrassende wendingen en met immer nieuwe mogelijkheden. Leven is beweging en ook het bovennatuurlijke leven, mits het echt is en waarachtig, is alles eer dan dode eenvormigheid.

„Weest daarom niet onverstandig, maar tracht de wil des Heren te verstaan” : wat God van mij vraagt, van mij met mijn persoonlijke aanleg en mijn individuele talenten, in mijn concrete omstandigheden. En het gaat niet enkel om een materieel inzien wat God wil. Het gaat vóór alles om een door het geloof geschraagd inzicht in de aanbiddelijke wil zelf, om het volstrekte geloven in God , waardoor wij zijn welbehagen vermogen te aanschouwen in alles wat ons overkomt, waardoor wij, losgeraakt van onszelf, gemakkelijk en aanstonds, de mensen en de dingen leren beschouwen als de vorm en omhulling waarin zijn wil, dat is zijn liefde en onze vrede, tot ons komt. Op dit zicht van geloof en genade (van overgrote genade) komt alles aan. Zo wij slechts Gods wil weten te zien, als zodanig , zullen wij hem met liefde aanvaarden.

2. Wat belet ons te zien? Ons egoïsme, onze begeerten en onze vrees voor de kleine dingen van onszelf, onze oppervlakkigheid en onze uitgestortheid, de geest van werelds leven, in één woord: gebrek aan ons geloof en gebrek aan edelmoedigheid. Ook hier heerst de wet van de wisselwerking. Indien wij Gods wil edelmoedig volbrengen, zal ons geestelijk inzicht verdiept worden en zo wij het welbehagen Gods duidelijker leren inzien, zullen wij het met groter liefde omhelzen. Want nogmaals: Gods wil is niet een vast gegeven dat wij in een boek kunnen vinden. Hij openbaart zich geleidelijk. Naar de mate van onze edelmoedigheid doet hij zich volmaakter kennen en wie zich eenmaal eerlijk aan hem overgeeft, die voert Hij verder langs de donkere weg, van duisternis tot duisternis, dat is, van glorie tot glorie. Want waarlijk, „de luister der koningsdochter straalt inwendig” en de duisternis van het geloof is onze aardse glorie.

„Alles wat Gij ons aandeedt, Heer, hebt Gij gedaan in waarachtige rechtvaardigheid. Want wij hebben tegen U gezondigd en uw geboden niet onderhouden. Maar geef eer aan uw naam en handel met ons naar uw overgrote barmhartigheid” ( Dan.3, 31. 29. 35 ; introitus van de Zondag).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee