De koningin

104. Zondag Quinquagesima

„De liefde vergaat nimmer” ( 1 Kor. 13, 8 ; epistel). De serie van de prachtige epistels die de Zondagen van de voorvasten ons bieden wordt besloten met een van Paulus ‘ beroemdste passages, het „hooglied op de liefde” ( 1 Kor. 13, 1-13 ). Hij spreekt daarover, omdat hij zijn altijd lastige Korinthiërs wil leren naar het werkelijk hoogste te streven en niet naar datgene wat het meest opvalt. Zij leden aan een soort geestelijke sensatiezucht, omdat zij te zeer verlangden naar die bijzondere gaven des Geestes die in de eerste tijden van het christendom rijkelijk door God werden geschonken, zoals de gave der talen, profetie, wondermacht. En onder deze charismen begeerden zij nog bij voorkeur de meest buitengewone zoals de gave van talen of tongen (wij weten niet eens meer wat het precies was). Let liever op het nut van de Kerk, zegt Paulus . Als gij toch naar charismata streeft, richt dan uw verlangen op de werkelijk beste, dat is de voor de gemeenschap nuttigste. Evenwel, ik zal u een weg tonen die alle geestesgaven, ook de voortreffelijkste, in de schaduw stelt. De hoogste genade is de liefde . De charitas . Bij haar vergeleken zinkt alles in het niet, ook de meest sublieme wondermacht en de heldhaftigste prestaties ( v. 1-3 ). Deze liefde die Paulus bezingt is zonder twijfel de liefde tot God. Maar opmerkelijk is dat wanneer hij haar beschrijft ( v. 4-7 ), hij haar beschrijft als naastenliefde . „De liefde is geduldig, zij is goedertieren. Zij is niet afgunstig, niet pronkzuchtig, niet verwaand…” Zozeer is hij er van overtuigd, dat de goddelijke liefde zich moet uiten en uitwerken in de naastenliefde, wil zij echt zijn. Een mens kan zich altijd wijsmaken dat hij God bemint, — maar veel moeilijker dat hij zijn naaste liefheeft. Want God is onzichtbaar, doch de evenmens is een zichtbaar en tastbaar wezen waartegen wij elke dag honderdmaal oplopen. De gelegenheid hem op reële wijze onze liefde te betonen wordt ons talloze malen geboden.

Waarom is de liefde zo voortreffelijk? Paulus geeft één reden uit de vele die gegeven kunnen worden: zij is onvergankelijk ( v. 8-13 ). Zij is het enige wat wij van deze aarde naar de hemel zullen meenemen. Al het andere vergaat, want het is slechts stukwerk, provisorisch. Onze kennis van God en de goddelijke dingen is hier „als in een spiegel en in raadselen” . Zelfs geloof en hoop zullen verdwijnen, wanneer zij eenmaal plaats maken voor de aanschouwing en het bezit van God.

Ook de bovennatuurlijke liefde voor de naaste blijft. Indien wij een mens werkelijk in God beminnen, is deze liefde onvergankelijk tot in eeuwigheid. Niets gaat verloren van wat in God is gevestigd.

De wijzen, waarop wij onze naaste kunnen liefhebben, zijn vele en menigvuldig. Allereerst toch in en door de dagelijkse omgang. Betrekkelijk zelden wordt daardoor van ons een heldhaftige daad gevraagd, maar de som der talloze kleine daden en offers die het verkeer met de medemens ons oplegt, krijgt het gewicht der heldhaftigheid, indien zij door waarachtige liefde zijn bezield. En meen niet dat de goddelijke charitas van ons alleen maar een passieve of negatieve houding vergt of dat zij ons maakt tot goedmoedige ja-en-amen-knikkers. Paulus zegt van haar in het epistel: „zij is blijde met de waarheid” . Dit betekent dus dat zij geen valsheid duldt. Zij is oprecht en zij zal ook in degene, die zij liefheeft, geen vrede hebben met het kwaad. Alleen, zij wil zo lang mogelijk aan het goede geloven, zij is bereid het kwade te verdragen en het door haar goedheid te overwinnen. Door goedheid en geduld, — de wapens waarmee wij het rijk der liefde uitbreiden. Niet door gelijkhebberij, engheid, eigenwaan of zelfvoldaanheid. „Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *