De letter en de geest

288. Dinsdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag, waarvan de tekst vrij ongelukkig is afgesneden ( 2 Kor.3, 4-9 ), heeft als hoofdthema: de voortreffelijkheid van het Nieuwe Verbond , welks bedienaar Paulus is, boven het Oude. De apostel maakt zich de tegenstelling niet gemakkelijk. Hij stelt het Oude Testament voor in zijn grootste vertegenwoordiger, Moses , en op een verheven ogenblik, als de wetgever van de berg Gods afdaalt met in zijn hand de stenen tafelen, grondwet van het verbond, en zijn gelaat stralend van hemzelf onbekende goddelijke glans, die de zonen Israëls niet konden verdragen. Waarachtig, heerlijk en glorieus was de oude bediening! Toch was zij een bediening des doods en van veroordeling en vergankelijk. Wat zal dan het nieuwe leven zijn en welke de glorie van het christendom dat Paulus mag prediken! Niet dat hij uit zichzelf iets zou vermogen, want al zijn bekwaamheid is het werk van God die de Geest schenkt, – en juist daarom treedt hij vrijmoedig op en met een ongesluierde openheid die zelfs Moses niet kende.

Wij vragen ons af of wij met dergelijke teksten van de apostel, zoals er in zijn brieven vele en in de liturgie nog enkele andere voorkomen, ook in onze tijd en voor ons persoonlijk leven iets kunnen doen. Is het ons mogelijk hier meer te bereiken dan een historisch begrip? De tegenstelling jodendom-christendom vormde in Paulus ‘ dagen een brandend actueel probleem. Zij schijnt dat thans niet meer op dezelfde wijze te zijn en dus zijn wij licht geneigd te oordelen dat de desbetreffende passages der brieven voor ons niet langer van betekenis zijn. Deze opvatting zou inderdaad gerechtvaardigd zijn, indien Paulus niet de door God geïnspireerde schrijver en schouwer van geestelijke en daarom onvergankelijke werkelijkheden was die hij geweest is. Zijn diepste gedachte staat hier in het dikwijls herhaalde maar meestal zeer eenzijdig toegepaste zinnetje: „De letter doodt, maar de Geest maakt levend” ( 3, 6 ). Het Oud Verbond is die letter, de wet op stenen tafelen gegrift, die doodt, omdat zij de doodstraf uitspreekt tegen haar overtreders zonder dat zij tegelijk de kracht tot onderhouding geeft, zonder dat zij zelf een innerlijk levensbeginsel schenkt van waaruit het de mens eerst mogelijk wordt de rechte verhouding tot God te vinden, die aan elke vruchtbare wetsvervulling ten grondslag ligt. Maar het nieuw Verbond is niet allereerst wet (ofschoon het ook een wet inhoudt, „de wet van Christus” ( Gal.6, 2 ), doch leven, bovennatuurlijk leven geschonken door de Geest. En de Geest Gods betekent leven, vernieuwing, scheppende omvorming van binnen uit.

Nu zien we Paulus ‘ woorden hun geldigheid behouden. Wat hij in dat éne zinnetje van de oude wet , de Joodse Tora , zegt, geldt van elke wet, geldt ook van het christendom, indien het uitsluitend of voornamelijk als wet, als een uitwendig stelsel van verordeningen, dode en dodende letter, zou worden opgevat. Het leven kan niet in wetten worden besloten, als heeft het zijn eigen wet, zoals de plant die groeit krachtens innerlijk beginsel. Zo is ook onze onderhouding van de geboden van Christus en de Kerk dood voor God, zo ze niet voortspruit uit ons innerlijk, komend van de Geest die in ons woont en ons maakt tot het nieuwe schepsel. De Geest maakt levend. De geest van het kindschap Gods, de geest van geloof en vertrouwen en kinderlijke gehoorzaamheid, de liefde ten slotte, totale overgave die de begrenzing van de wet niet kent, doet ons als vanzelf de geboden vervullen, de evangelische raden hoogachten, Gods wensen raden en voorkomen. Zeker zullen zonde, zelfzucht en wereld zulk een gave levenshouding slechts zelden tot volle bloei laten geraken en maken zij wetten noodzakelijk. Toch is het slechts de Geest die leven schenkt en de Geest is liefde, scheppende kracht die door Gods gave ons eigen is geworden.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee