De liefde voor de mens

210. Maandag na de Eerste Zondag na Pinksteren

In die tijd zeide Jezus tot zijn leerlingen: „Weest barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij en gij zult vrijgesproken worden. Geeft en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want de maat waarmee gij zelf meet, zal ook u worden toegemeten” (evangelie van de Zondag; Lk. 6, 36-38 ). Het is jammer dat het later ingevoerde feest der H. Drieëenheid het schone misformulier van deze Zondag enigszins heeft verdrongen. Op de eerste Zondag van de lange serie der Zondagen na Pinksteren houdt de Kerk ons in de beide grote lessen de beide grote geboden voor, „waaraan heel de Wet hangt en de Profeten . Wij willen vandaag onze aandacht bepalen tot het boven aangehaalde gedeelte van het evangelie. Het zijn woorden van onze goddelijke Meester zelf, korte, indringende spreuken, eenvoudig en diep, die weinig commentaar behoeven.

1. „Weest barmhartig zoals ook uw Vader barmhartig is.” zo geeft Lukas weer wat Mattheus formuleert als: „Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” . Er blijkt in elk geval uit (wat ook bij Mattheus uit de samenhang duidelijk is), dat Jezus onder de goddelijke volmaaktheid die zijn leerlingen moeten navolgen, allereerst verstaat de liefde voor de evenmens. De liefde leeft niet van opvattingen, hoe verheven ook, maar van daden en allermeest van opofferende daden. Het is allemaal prachtig om te mediteren over de Heilige Geest en de liefde tot God, — maar wanneer onze godsvrucht niet minstens gepaard gaat met de eerlijke poging onze naasten lief te hebben en wanneer ons volmaaktheidsstreven niet een toename van „barmhartigheid” met zich brengt, dan hapert er wat. „Als iemand zegt (of denkt) dat hij God bemint en tegelijkertijd zijn broeder haat, is hij een leugenaar,” zegt Sint Jan kort en krachtig in het epistel van vandaag.

2. Maar ook omgekeerd: wie God niet bemint, bemint zijn broeder niet op de juiste wijze. En wie niet in God gelooft, gelooft niet meer in de mens. Op ontstellende wijze heeft de tijd die wij beleven, ons geleerd dat de barmhartigheid, de achting en de liefde ook voor de zwakken en de ongelukkigen, voor de economisch nutteloze mens allen in het christendom veilig is. Sint Paulus noemt onder de ondeugden van het heidendom harteloosheid en onmeedogendheid ( Rom. 1, 31 ). Het nieuwe, na-christelijke heidendom heeft onze ogen geopend voor de waarheid van deze woorden.

De barmhartigheid, die Jezus van zijn leerlingen eist, bestaat wel allereerst in mildheid van oordeel . Het is in dit punt dat velen onzer zondigen en niet zelden degenen die voor vrome christenen willen doorgaan, het meest. Het is de hoogmoed die ons anderen doet veroordelen, want dit oordeel bevat altijd de (minstens impliciete) vergelijking met onszelf, die in ons voordeel uitvalt, en betekent aldus zelfverheffing. In zeker opzicht is natuurlijk de ene mens beter dan de andere. Maar elke vergelijking van onszelf met een ander, die uitloopt op de veroordeling van de persoon van die ander, is slecht. Want wij allen zijn zondaars voor God, die alleen goed is. Wij zijn bovendien nooit in staat een ander werkelijk, naar zijn innerlijke waarde, te beoordelen. En dit oordeel komt alleen aan Christus toe, de enige Rechter van levenden en doden.

„Geeft en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort.” Denk hierover na …

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *