De lof Gods

273. Maandag na de Tiende Zondag na Pinksteren

„U komt een loflied toe, o God, o Sion,
U moet de gelofte betaald in Jerusalem”

( Ps.64, 2 ).

In dit alleluja-vers van de Zondag spreekt de Kerk voor één keer uit wat zij altijd door blijde volvoert: de plicht der lofprijzing Gods. Als wij onze persoonlijke gebeden vergelijken met het algemene gebed van de moederkerk in missaal en brevier, springt één groot verschil aanstonds in het oog. Ons eigen gebed is bijna immer een vragen, een smeekgebed. Soms komt daarbij die speciale vorm van smeking, de bede om vergiffenis, berouw en boete. En een heel enkele keer: dank voor gaven die wij ontvingen. Maar de zuivere lofprijzing, de hymne, de verheerlijking van God, louter en alleen omdat Hij God is, „prijzenswaardig bovenmate” , — ik vrees dat ze zelden spontaan in ons opwelt. Ik vrees dat zelfs daar waar de Kerk ze ons op de lippen legt (zoals zij Goddank doet, menigmaal), haar loflied weinig weerklank vindt in het diepst van ons gemoed. De reden hiervan is altijd ons egoïsme, onze klein-menselijke begrensdheid, ons angstig bekommerd zijn om het aardse in eindeloze zorgen en begeerten. Ons gebed gaat te veel uit van onszelf en is te weinig een terugkeer tot zijn zuivere oorsprong, God. Hij is begin en einde van alles; dit mag geen ijdele frase blijven.

1. Wij mogen niet menen dat alleen op priesters en kloosterlingen de plicht rust der laus divinia , der lofprijzing van het goddelijk wezen. De apostelen houden in vele teksten deze plicht aan alle christenen voor. „Wordt vervuld van de Geest en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zingt en jubelt voor de Heer van harte, dankt te allen tijde in de naam van Jezus Christus God de Vader voor alles ( Eph.5, 18-20 ). Het psalterium, het gebedenboek van het oud-testamentische godsvolk en van de christelijke Kerk, is vol van Gods heerlijkheid. Het „Gloria in excelsis” , de Prefatie, het „Te Deum” , het „Magnificat” , het „Ere zij de Vader” en vele andere van de schoonste kerkelijke gebeden verkondigen de lof des Heren. Het is de plicht van elke christen hiermee in te stemmen van ganser harte . De beschouwing van Gods oneindige majesteit en het levend geloof in de weldaden der verlossing maken deze instemming mogelijk niet alleen, maar vanzelfsprekend, gemakkelijk, geliefd: als de natuurlijke beweging van de ziel die haar ware leven gevonden heeft in de voorsmaak van het werk der eeuwigheid, als de geestelijke ademhaling van het christelijk gemoed.

2. Bovenal willen wij onze hymne afstemmen op het koor van de gemeenschap Gods, ons lied doen samensmelten met de stem der Bruid. „U komt een loflied toe, o God, op Sion, U moet de gelofte betaald in Jerusalem” , dat is in en door de Kerk . De mis is het offer van de hoogste lof; de kerkelijke getijden begeleiden die laus divinia door heel de dag, door heel het jaar, door alle jaren, „totdat Hij wederkomt” .

Dit is ware vergeestelijking, zoals het vleesgeworden Woord ons heeft geleerd: de schone dingen der stoffelijke schepping niet te versmaden, maar zin in Christus op te heffen tot God: stem en zang, woord en gedicht dienstbaar te maken, in edele vrijheid, aan het hemelse opus Dei , het goddelijke werk op aarde begonnen.

En ook hierin ligt ware spiritualiteit, dat wij onszelf weten te vergeten in deze gemeenschap die een voorafbeelding is van de volkomen eenheid der heiligen. Vergeten onze tijdelijke nood, onze grieven en aardse mislukkingen, ja zelfs onze zwakheid en zonde om in Christus geheiligd en uitverkoren Gods lof te zingen, eindelijk één en niet langer verdeeld door het stoffelijke dat mens immer scheidt van mens. „Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U. Wij verheerlijken U. Wij zeggen U dank om uw grote glorie .”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee