De lof Gods

180. Zaterdag na de Derde Zondag na Pasen

„Loof, mijn ziel, de Heer! Ik zal de Heer prijzen mijn leven lang, psalmzingen voor mijn God zolang ik leef, alleluja” ( Ps. 145, 2 ; offertorium van de vorige Zondag).

1. De lof Gods mag op aarde nimmer verstommen gelijk hij ook in de hemel zonder einde zal zijn. Degenen die de goddelijke liefde heeft geroepen tot het geloof en nu reeds met de kennis van zijn eeuwige glorie heeft begiftigd zijn des te meer gehouden tot deze plicht der gehele schepping naarmate de goddelijke majesteit grievender wordt miskend en gehoond in deze wereld waar de godloosheid met de dag toeneemt. De verheerlijking van God en de heiliging van zijn naam is het doel waartoe Hij de wereld en de mensen heeft geschapen en waartoe ook de verlossing in Christus strekken zal: in laudem gloriae gratiae suae , tot de glorieuze lofprijzing van zijn genadige liefde ( Eph. 1, 6 ).

De Kerk prijst haar Bruidegom in de eredienst en zonder ophouden weerklinkt haar lied ter ere van de allerheiligste Drieëenheid. Er bestaat niets schoners op aarde dan de door liefde ingegeven belangeloze lof Gods die Hem verheerlijkt propter magnam gloriam tuam : louter en alleen om zijn grote glorie, om de heerlijkheid van zijn oneindig wezen, omdat Hij is die Hij is. Wij kunnen onze allereerste plicht God te prijzen en Hem de eer te geven die Hem toekomt niet beter vervullen dan door ons van harte te verenigen met de eredienst der Kerk: „in de gemeenschap der heiligen weerklinkt zijn lof” ( Ps. 149, 1 ).

2. Maar het kan God niet onverschillig zijn met welk een mond wij Hem prijzen en uit welk hart zijn lof opstijgt. Zuiverheid van mening en geweten en louterheid der liefde wordt gevraagd voor het werk Gods bij uitstek. Het gaat er niet enkel om dat wij God van harte loven (want pure lippendienst is Hem een gruwel), wil onze lof Hem behagen dan moet dit hart zuiver zijn voor zijn ogen. Niets wat onrein is kan bestaan voor zijn aanschijn en één verzuchting dor echte liefde ingegeven behaagt Hem meer dan ellenlange litanieën waaraan de zelfzucht niet vreemd zou zijn. God ziet op het hart en Hij zoekt de onbaatzuchtige liefde.

3. De ziel die zichzelf tracht te vergeten voor Hem brengt Hem de hoogste eer. In het koor van de hymnen der Kerk vindt haar lied rechtstreeks toegang tot het hart van God, ook al zal die zang menigmaal bestaan in een sprakeloze aanbidding. „Voor alles moeten wij bij onze grote God het stilzwijgen opleggen aan de begeerte en aan de tong. De taal die Hij het best verstaat is liefdes zwijgen … Behandel God als Bruidegom, als Vriend. Verwijl onophoudelijke bij Hem. Gij zult niet bezwijken, gij zult weten hoe men bemint en alles wat ge nodig hebt zal u naar wens geschieden. Zonder moeite zullen de volkeren u onderdanig zijn en alle dingen uw slaven, zo gij slechts hen en uzelf vergeet. Geef u over aan die rust, laat uw zorgen varen, bekommer u niet om al wat er gebeurt. Dan zult gij God dienen volgens zijn smaak en Hij zal u smaken.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *