De Mis II. Onze hemel op aarde

269. Donderdag na de Negende Zondag na Pinksteren

„Als er onder de dingen dezer aarde één geheel goddelijk is, iets waarom de hemelbewoners ons zouden benijden (verondersteld dat zij afgunstig konden worden), dan zou het ongetwijfeld het offer der mis zijn. Door het misoffer immers bezitten de mensen als bij voorbaat de hemel op aarde, doordat zij de Schepper van hemel en aarde bezitten en in hun handen dragen” ( Urbanus VIII ).

Onze goddelijke Zaligmaker heeft de eucharistie aan zijn Kerk nagelaten niet enkel als herinnering en tegenwoordigstelling van zijn lijden en dood, als een souvenir dat terugwijst naar het verleden en tevens werkt in het heden, maar ook als een voorsmaak der hemelse geneugten en als voorproef der hemelse aanbidding. Zo wijst ons de mis, als wij geloven, als wij haar met levend en verlicht geloof bijwonen, naar de toekomst, naar de voltooiing van het werk der verlossing. Dit zeide reeds Sint Paulus : „Zo dikwijls gij dit brood eet of de kelk de Heren drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt ( 1 Kor.11, 26 ). De viering der eucharistie moet doorhuiverd zijn van een sidderend paasverlangen, als het haastig en reisvaardig genieten van het Lam, de ogen gericht op het verre vaderland, de harten brandende van die begeerte die de Geest en de Bruid roepen doet: „Kom, Heer Jezus” , de voeten geschoeid en nauwelijks beroerd door het stof van deze wereld die voorbijgaat, wetend dat zijn komst op de wolken als een bliksem de aardse schijn zal verscheuren, wetend en ziende in de schouwing des geloofs, dat nu reeds , als wij de liturgie vieren, met het goddelijk Lam op onze altaren de hemel op aarde daalt. Wie geeft ons de ogen des geloofs om te zien, om waardig te vereren, om aanbiddend te vieren, om steeds vol liefde te herdenken dit verheven en enig offer? Wanneer de priester de mis opdraagt, als is het ook een stille viering in een smakeloos kapelletje met geen sterveling aanwezig dan een verstrooide misdienaar, dan breekt de hemel open en daalt Hij neer op onze gevloekte aarde. Jezus Christus, het verheerlijkte Lam Gods, „altijd levend om voor ons ten beste te spreken” ( Hebr.7, 25 ), rust in de handen van de priester als ons offer en onze spijze. Hij is het hoofd van het lichaam, de Kerk; Hij is de eerstgeborene van gans de schepping ( Kol.1, 15. 18 ). Hij vat in zich te samen en verheft oneindig al onze lof en al onze aanbidding. Hij vult oneindig aan al ons ontbreken en eindeloos tekortschieten. En Hij zelf is tegelijk het middelpunt der hemelse aanbidding. Aan God en het Lam brengen de tienduizendmaal tienduizenden engelen ononderbroken hulde, voor Hem vallen de oudsten neder met de gouden kronen en de gouden wierookschalen, met de witte gewaden en hun hemels speeltuig. Hem zingen de zaligen onophoudelijk het immer nieuwe lied toe. In de mis dalen de engelen op aarde en stijgen de mensen ten hemel. Wij mogen hier het psalmwoord toepassen: „Goedheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kusten elkaar. Trouw zal aan de aarde ontspruiten, van de hemel zal gerechtigheid neerzien. De Heer zal zijn zegen schenken en de aarde haar vrucht voortbrengen” ( Ps.84, 11-13 ). Zeggen wij God immer dank voor zijn grote gave want waarlijk, dit is passend en heilzaam. Verenigen wij ons in geloof en liefde met Jezus Christus, „onze eeuwige hogepriester naar de orde van Melchisedec , de grote herder der schapen” ( Hebr.5, 10 ; 13, 20 ), die ons aller toewijding aan God samenvat, loutert en opheft.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)