De Mis III. Jezus’ offer ons offer

270. Vrijdag na de Negende Zondag na Pinksteren

De mis is de aanbieding aan God van het geslachtofferde Lam. De Kerk, de verzameling van het uitverkoren godsvolk te midden van een boos en overspelig geslacht, biedt dit „zuiver, heilig en onbevlekt offer” de Vader aan door de bediening van haar priesters. Het is de gave, die de Vader zelf ons heeft geschonken, want Hij heeft zijn eengeborene in de wereld gezonden om haar te redden en Hij heeft Hem niet gespaard, om ons. Tegelijk is het onze offerande, daar de Kerk ze aanbiedt door priesterhanden en wijl Jezus’ lichaam en bloed sacramenteel tegenwoordig komen onder de gedaanten van brood en wijn, vruchten van onze aarde en gaven der gelovigen. Wij bezitten aldus in de mis heel de verlossende kracht van het kruisoffer , want het verheerlijkte Lam op onze altaren is het daar als offer, het heeft de wondtekenen bewaard en gedragen voor de troon des Vaders. Altijd toont Hij God de stigmata die ons heil hebben bewerkt. De mis is tevens het hemelse offer , want „Christus, hogepriester (door het offer priesterlijk bemiddelaar) der toekomstige (hemelse) goederen, is het heiligdom (de hemel) binnengegaan door zijn eigen bloed, eens voor altijd, daar Hij een eeuwige verlossing (die niet hoeft te worden herhaald) verworven heeft” ( Hebr.9, 11. 12 ).

De Kerk stelt in de mis door haar priesters het kruisoffer tegenwoordig, datgene wat toen aan de Vader werd geofferd tot uitboeting van de zonde der wereld, Jezus’ gezegend lichaam en bloed, en teven de mateloze offerliefde, waarmee onze hogepriester en middelaar deze gave de Vader aanbood, het inwendige offer van zijn Hart, dat aan de zichtbare offergave alle waarde verleende en verleent. Want „Jezus Christus is Dezelfde, gisteren en heden en in eeuwigheid” ( Hebr.13, 8 ). Als God kan Hij geen veranderingen ondergaan. En ook zijn verheerlijkte mensheid is niet langer aan de wetten der aardse veranderlijkheid onderhevig. Zijn offer is één en eeuwig. Altijd door biedt Hij God de gave aan, die Hem behaagde en behaagt, het lichaam dat geboren werd uit de Maagd, dat alzo de zuivere en schone vrucht is van onze aarde, en de liefde voor God en de mensen die immer zijn Hart bewogen heeft en beweegt.

Hij is één met ons, Hij is één met God. Hij heeft God alles gegeven wat Hij bezat en wat Hij was; en Hij blijft dat geven op zodanige wijze, dat Hij zichzelf, de hoogste gave, in onze handen stelt, opdat wij niet met ledige handen zouden staan voor Gods troon. Hij is altijd de Zoon, die de Vader geheel is toegewend. Hoe zouden wij, dit overdenkend, lauw en verveeld de mis kunnen bijwonen? Hoe zouden wij de plicht van mishoren kunnen zien als een dwang, als alleen maar een soort uitwendig herkenningsteken van de katholiek? Hoe moet dit ons niet veeleer worden een behoefte des harten, een leven van de geest, een opgenomen worden uit het aardse? Want dit is de werkelijkheid: de mis dompelt ons geheel in het goddelijke en eeuwigblijvende, voltrekkend „het werk der verlossing” . Zo zal zij ons lijdensmoed geven en offerliefde, steun en sterkte voor elke dag. Want nogmaals, het is oneindig voornamer met Gods genade in de geest van dit mysterie in te dringen en deze geest door de dag vast te houden dan in het missaal letterlijk alle gebeden te volgen, indien dit niet met de gezindheid van Jezus’ hart in ons zou aankweken (maar natuurlijk is het volgen van het missaal een geëigend middel om deze geest te verwerven, indien ten minste dit volgen „leven” blijft en geen mechaniek wordt; dit laatste kan het geval zijn, wanneer men meent altijd alle gebeden met de priester te moeten meebidden). Het is de Geest die levend maakt, de Geest die ons met diep geloof en vurig hart aan het offer en het goddelijk offermaal doet deelnemen en de offergesteltenis in ons bewaart en vernieuwt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)