De nabijheid van Christus

17. Dinsdag na de Derde Zondag van de Advent

Hoe vurig verlangt de Kerk naar de komst van de Heer! De verzuchtingen der oud-testamentische zangers en profeten, hun kreten om hulp, hun visioenen van heil, heel de rijkdom van de grote messiaanse verwachting benut zij in deze tijd van de Advent met volmaakte kunst om uiting te geven aan haar eigen zielsbegeren. „Wek uw macht op, o Heer, en kom ons redden” ( Ps. 79, 3 ; graduale ). „Roep luide: kleinmoedigen, weest sterk en niet langer bevreesd. Ziet, onze God zal komen en ons bevrijden” ( Is. 35, 4 ; communio ). Maar haar grote leuze voor deze week, de roep waarmee zij onze lauwe harten wekt, is ontleend aan de woorden van de Apostel: „De Heer is nabij!” ( Phil. 4, 5 ; invitatorium , introitus , epistel). De Kerk bedoelt dit allereerst in de gewone zin van de tijdelijke nabijheid van het kerstfeest, dat op de derde Zondag zoveel dichter bij is dan in het begin van de Advent. Doch zij wil tevens een ander nabijzijn beduiden, de volheid van het heil, dat nu binnen het bereik van de gelovige ziel is gekomen, indien zij met de Kerk deze eerste weken heeft verzucht en verlangend uitgezien.

1. „De Heer is nabij.” — De Apostel en zijn lezers dachten bij deze woorden zeker aan de glorieuze wederkomst van de verrezen Zaligmaker op het einde van de tijd om de goddelozen te straffen en de uitverkorenen te verheerlijken en mét Hem op te voeren naar een eeuwig samenzijn. Deze komst van Christus is voor ieder afzonderlijk in feite en in hoofdzaak gegeven met het uur van de dood. Onmiddellijk na het sterven immers worden wij door de Heer geoordeeld en wordt ons eeuwig lot beslist. De Heer is nabij, de Rechter met het strikte oordeel, want ieders dood is nabij. En ieder ogenblik komt dit uur nader, iedere dag brengt ons dichter bij de Heer en het genadeloze licht van zijn oordeel, maar ook, zo zijn genade ons bewaart, bij het vernemen van de dierbare stem die wij zullen herkennen zonder haar ooit te hebben gehoord: Welaan, gij goede en trouwe knecht, gij waakzame maagd, gij kind van het hemelrijk … Het leven is kort en onherroepelijk. De Heer is nabij.

2. Doch nu reeds, vóórdat de Heer ten oordeel komt, is Hij zijn getrouwen nabij. (Hoe zouden wij trouw kunnen zijn, indien Hij ons niet ter zijde stond?) Ook hiervan spreekt het epistel in die prachtige zin aan het slot: „De vrede Gods die alle begrip te boven gaat, zal uw hart en verstand bewaren in Christus Jezus, onze Heer” ( Phil. 4, 7 ). De innerlijke vrede van Christus, rijpe vrucht van de „vreugde in de Heer” , is zo groot en sterk dat hij alle natuurlijk begrip te boven gaat. Hij is verenigbaar met strijd en onrust buiten ons. Wanneer God hem in volheid schenkt aan de wil die leert immer inniger zich te voegen naar en samen te smelten met de zijne, zal hij ons innerlijk, „ons hart en ons verstand” , bewaren, „gevangen houden” (zoals er eigenlijk staat) in Christus Jezus, onze Heer. Zoete gevangenschap! Zalige banden voor geest en hart die niet meer willen noch kunnen afwijken van Hem die ons leven en onze liefde is. Neem ons zó gevangen, Jezus, opdat wij U nooit verlaten en nimmermeer van U gescheiden worden. Wees ons nabij, opdat onze geest U nabij blijft tot Gij komt om ons vrij te spreken in het oordeel en mee te voeren naar uw onverliesbaar heil.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *