De navolging van Christus II Armoede

235. Vrijdag na de Vierde Zondag na Pinksteren

Wij lezen in de homilie van het evangelie op 22 Juni ( Sint Paulinus van Nola ): „Geliefden, de almachtige Heer had alle mensen even rijk kunnen maken; dan had niemand een ander nodig gehad. Maar in het raadsbesluit van zijn oneindige goedheid heeft de barmhartige en medelijdende Heer het anders beschikt om in deze dingen uw gezindheid op de proef te stellen. Hij liet het lijden toe om uw mede-lijden op te wekken; er zijn armen opdat de rijken beproefd worden. De armoede der broeders biedt uw rijkdom zijn kans, ‘ „indien gij hart hebt voor de arme en behoeftige” ’ ( Ps. 40, 2 ) en niet voor uzelf alleen behoudt wat gij slechts ontvangen hebt. Want God heeft u in deze wereld ook het deel van de arme geschonken, opdat Hij u zou kunnen danken voor hetgeen gij met spontane liefde van zijn gaven aan de behoeftigen meedeelt, en opdat Hij wederkerig u rijk zou maken met het deel van de arme in de eeuwigheid. Christus zelf immers is het die thans in de persoon der armen uw gaven ontvangt en die het u later in hun naam zal vergelden.”

Dit zijn geen schijnschone frasen van de klassicistische dichter ( Pontius Meropius Anicius Paulinus ), maar het levensprogram van een man, die zijn ontzaglijke rijkdom letterlijk onder de armen had opgedeeld en die, toen hij niets meer bezat, de zoon van een weduwe vrijkocht door zichzelf te begeven in de slavernij der Vandalen. Dit gebeurde in dezelfde tijd, dat zijn verwante, de H. Melania de Jongere , een aristocratische en onmetelijk rijke Romeinse dame, haar millioenen(en die van haar echtgenoot) met ware wellust wegschonk om zich te begraven in een kluis op de Olijfberg. „Want,” zo verhaalt haar tijdgenoot Gerontius , „de heilige zeide tot haar zalige echtgenoot en broeder: „De last der wereld drukt ons zwaar en wij kunnen niet tegelijk het lichte juk van Christus op ons nemen. Laten wij ons dus haastig van onze rijkdom ontdoen, om Christus te winnen.” De heiligen hebben altijd een zonderlinge liefde voor de armoede bezeten. Al gingen niet allen zo ver als Sint Franciscus van Assisië , die met haar een mystiek en reëel huwelijk had gesloten, en Benoît Labre , die als een schurftige bedelaar langs ’s Heren wegen zwierf, zij hebben toch zonder uitzondering, ieder op zijn eigen wijze en in zijn eigen verhoudingen, hun Meester nagevolgd, die verklaren kon, dat Hij geen plaats had om zijn hoofd neder te leggen ( Mt. 8, 20 ). Zij werden daarbij gedreven door de twee motieven, die altijd de grote drijfveren zijn van waar christelijk leven en die tenslotte samenvallen: liefde voor de naaste en liefde voor Christus. Zij waren zich levendig bewust dat hun overvloed de armen rechtens (met een christelijk recht) toekwam en zij waren geneigd de grenzen van hun eigen nooddruft steeds nauwer te trekken. In hun leven werd werkelijkheid het geloof, dat aan Christus is gegeven wat aan de minste van zijn broeders wordt geschonken. En wederom was het de liefde die hen er toe drong de Meester gelijkvormig te worden, op waarachtige wijze . Hun liefde voor de armoede had niets romantisch, maar was in hoge mate reëel, ingrijpend in hun eigen leven, luxe en comfort onverbiddelijk afsnijdend. Zij legde hun persoonlijke beperkingen op en vooral, zij bracht hun de versmading en vernedering, die in de ogen der schampere wereld met gebrek en schamele levensstaat onafscheidelijk verbonden zijn. Maar tegelijk schonk deze liefde hun de hoge, innerlijke vrijheid, „om het lichte juk van Christus op zich te nemen” .

En wij? Laat ons toch minstens alle sporen van hebzucht en gierigheid uit ons hart verwijderen. „Waar uw schat is, daar is ook uw hart.”

„Wat gij de minste der mijnen hebt gedaan, hebt gij Mij gedaan.” „Zalig de armen van geest, want hun behoort het rijk der hemelen.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *