De onuitsprekelijke verzuchtingen

299. Zaterdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

Overwegen wij heden de diepzinnige tekst van Sint Paulus over het gebed in Rom.8, 26. 27 : „Eveneens komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij naar behoren moeten bidden. Maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, Hij verstaat het zinnen van de Geest, hoe Hij namelijk voor de heiligen ten beste spreekt naar Gods wil.”

1. Dit gebed wordt geboren uit de christelijke nood. Deze nood is niet zonder hoop, zij is niet de wanhoop van het heidendom die op de bodem ligt van het atheïsme: „zonder hoop en zonder God in deze wereld” ( Eph.2, 12 ). Maar het is toch ook ontbering die hier spreekt, waaraan een diep verlangen ontspringt en het smeekgebed bij uitstek, het gebed niet enkel meer om de gaven van God maar om Hemzelf. De christen wordt gekweld door een onrust die deze aarde niet kan bevredigen. Zelfs de levenloze schepping, zegt Sint Paulus , zucht en steunt als in barensweeën. Zij roept om de voltooiing der verlossing, om de openbaring van het volmaakte kindschap. Ook wijzelf, al hebben wij door Gods genade de eerstelingen van God ontvangen, verzuchten naar dit zalige einde, zolang wij nog van God zijn gescheiden en benauwd worden door de macht der zonde en de zwakheid van het vlees. „De Geest komt onze zwakheid te hulp,” al neemt Hij haar niet weg. De nood blijft, maar de Geest in ons , die ons bij het doopsel werd geschonken, Hij helpt ons, juist door ons het bewustzijn van deze nood mee te delen, door haar te maken tot een kwellende en borende pijn, tot een leegte die roept om de volheid van God, tot de woestijn der liefde die herinnert aan het lijden van het vagevuur. De oppervlakkige en vleselijke mens leeft naast deze afgronden, zonder hun bestaan te vermoeden.

2. Want hoe zwak zijn wij! „Wij weten uit onszelf niet eens hoe wij moeten bidden noch wat wij moeten vragen. Maar de Geest zelf spreekt voor ons ten beste met onuitsprekelijke verzuchtingen.” De Geest van Christus die in ons is, bidt in ons en met ons. Zijn verzuchtingen zijn onuitsprekelijk, zegt Sint Thomas in zijn verklaring van deze plaats, om twee redenen. Omdat de begeerten die de Heilige Geest in onze ziel ontsteekt, een onzegbaar voorwerp betreffen, de eeuwige zaligheid; en ook omdat deze bewegingen en aandoeningen van ons hart zelf onuitsprekelijk zijn. De menselijke neerslag van Gods werking vermogen wij enigermate te begrijpen; maar aan de bron, bij het raakpunt van de Geest en de ziel, zijn deze gebeden voorzover ze wezenlijk echt zijn, een mysterie. Doch al is wat aldus in onszelf uit de Geest wordt geboren, onuitsprekelijk, een geheim dat wijzelf niet verstaan, God verstaat het. „Hij die de harten doorgrondt, Hij kent de zinnen van de Geest.” En Hij verhoort het gebed, dat zijn Geest in ons verwekte, door het verlangen naar Hem nog dieper en zuiverder te maken.

2. Sint Paulus spreekt hier over een volmaakt gebed. Maar laten wij niet vergeten dat hij over het christelijke gebed bij uistek bedoelt te spreken, dus over iets wat christelijk normaal genoemd kan worden en onder ons gewoon zou moeten zijn. Wij allen hebben de Geest Gods ontvangen, wij allen staan in de nood der (betrekkelijke) onverlostheid, wij bezitten nog slechts de eerstelingen van Gods gaven. Maar niet allen zijn wij ons van deze werkelijkheden bewust. Wij zien hieruit dat twee dingen vooral noodzakelijk zijn om te geraken tot dit echt christelijke gebed, dat meer het werk is van Gods Geest dan van onze geest. Wij moeten op de eerste plaats die christelijke nood willen beseffen ; dat betekent praktisch: wij mogen de partiële en in wezen alleen maar verwijzende bevrediging die de schepselen ons schenken, niet zoeken als onze laatste en eigenlijke bestemming. Wij moeten onszelf onthechten en aldus er toe bijdragen dat die nood ons bewust wordt. En vervolgens, wij moeten leren passief te worden. Wij mogen niet menen dat wij bij het gebed de voornaamsten zijn. Wij moeten God de kans geven zijn werk te doen. Wij moeten leerzaam en gewillig worden jegens de zoete Gast der ziel, in diepe ingetogenheid en rust.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee