De pelgrim

159. Witte Zaterdag

„Gij allen die in Christus gedoopt zijt hebt Christus aangedaan. Alleluja” ( Gal. 3, 27 ; communio ).

1. Ook de communiezang van heden spreekt duidelijk van wat de grote vreugde der Kerk is in de paastijd: „de aanwas van nieuwe geboorten” , de dopelingen. Bovendien zinspeelt hij op de witte gewaden die de neophyten heden voor het laatst droegen, staande rond het altaar. Het is niet onmogelijk dat ook Sint Paulus , aan wiens brief aan de Galaten deze tekst is ontleend, soortgelijke riten bedoelt. Hoe dit ook zij, het witte kleed verzinnebeeldt Christus, die de neophyten (en alle christenen) in het doopsel hebben „aangedaan” . Door het doopsel is het leven van de verheerlijkte Zaligmaker in onze ziel gestroomd en zijn wij ingelijfd in de mystieke Christus, in het „rijk van de geliefde Zoon, door wie wij de verlossing hebben gekregen, de vergiffenis der zonden” ( Kol. 1, 13-14 ). Wij allen zijn „in Christus” , zoals de apostel het meermalen kernachtig uitdrukt. Deze waarachtige vereniging met onze Heiland en ons Hoofd is de bron van de paasvreugde en van de hoop op de hemel.

2. In de brief aan de Romeinen gebruikt Paulus woorden die bijna gelijkluidend zijn met de boven aangehaalde (en die Sint Augustinus voor de dopelingen citeert in zijn homilie van de tweede nocturn op Beloken Pasen). Toch is er een opmerkelijk verschil. Aan zijn Romeinse christenen schrijft de apostel: „Doet de Heer Jezus Christus aan” ( Rom. 13, 14 ). Een bevel dus, als moest het nog geschieden, — terwijl hij boven zeide dat alle gedoopten reeds bekleed zijn met de Heer Jezus Christus. Toch is er geen tegenspraak; alleen stoten wij hier op de tweeslachtigheid van de christelijke existentie. Zoals de samenhang in de brief aan de Romeinen aantoont geeft de apostel daar zedelijke vermaningen. Het is in zekere zin heel eenvoudig. In het doopsel ontvangt de christen de bovennatuurlijke gelijkenis en vereniging met Jezus (de heiligmakende genade), maar deze gave des Geestes is niet iets statisch, iets onveranderlijks en onverliesbaars, een godsgave kant en klaar, doch een aanvang, een zaad dat moet groeien, een levensbeginsel dat nog bedreigd wordt door het vlees en de zonde. En daarom is er altijd plaats voor de aansporing „Christus aan te trekken” . Door deugd en werk, door gebed en lijden wordt het Christusbeginsel in ons sterker en onze gelijkenis met de Heer sprekender.

2. Het christelijke leven is een leven tussen twee werelden. De christen draagt de kiem van het eeuwige leven reeds in zich, hij hééft Christus aangedaan. En tegelijkertijd is hij een mens van vlees en bloed, zondig en zwak, wortelend in de aarde, worstelend met de wereld en satan. wij pelgrimeren naar het hemelse vaderland. Het is deze tweeslachtigheid van ons bestaan, deze status viae , dit onderweg zijn, dat het mogelijk maakt het accent op verschillende plaatsen te leggen, ofwel op onze reeds hemelse „natuur” , ofwel op onze aardse taak en strijd. Sint Jan spreekt bij voorkeur van het eeuwige en dus in zeker opzicht onveranderlijke leven dat de gelovige reeds bezit. Sint Paulus schenkt, zonder het andere te vergeten, volle aandacht aan de tweestrijd van vlees en geest, aan het dynamische karakter van ons bestaan, aan datgene wat nog onaf is aan ons leven in hope.

De Westerse christen met zijn actieve aard is wellicht geneigd het accent eenzijdig te plaatsen. Hij laat zich niet zelden te zeer in beslag nemen door de mogelijkheden (ook de christelijke), die het aardse leven biedt aan inspanning en strijd, aan actie en organisatie. Maar de bestendige overweging van het woord Gods en een innig meeleven met de liturgie der Kerk zullen het heimwee van de pelgrim in hem levendig houden.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *