De school der liefde

228. Vrijdag octaaf van het Feest van het H. Hart

Hoe jammer is het dat het Hooglied en de grote mystieke traditie rond het Hooglied veelal onder ons verloren zijn gegaan! Vrees en kleinmoedigheid hebben hierin hun rol gespeeld. Het is voorzeker waar dat de krachtige taal en de stoute beelden van dit minnelied een zinnelijk mens op een dwaalspoor kunnen leiden. Doch wie ook maar een klein beetje ware godsliefde heeft ontvangen, weet hoe deze een krachtige zuivering van de zinnelijkheid eist en bewerkt, — en hij weet ook dat de mens de wegen der goddelijke liefde moet leren. Hij moet leren beminnen, hij moet durven beminnen. „Misschien weten wij eerst dan wat er aan onze liefde tot God ontbreekt, wanneer wij weten wat grote, menselijke liefde is. Dan zien we pas met smart de ontstellende afstand tussen de laaiende gloed, de draagkracht en het offerverlangen hier en de benepen koudheid en licht te bevredigen gemakzucht ginds” . Het blijft waar, dat de liefde tot God bovennatuurlijk is en daarom niet kan berusten op louter menselijk gevoel, — maar het blijft ook waar, dat ze allereerst en simpelweg „liefde” is, iets anders en méér dan alleen maar plicht, méér zelfs dan trouwe dienst en gehoorzaamheid en onderwerping van de wil (hoe verheven deze dingen ook zijn als de noodzakelijke voorwaarde en het onontbeerlijk begin der liefde). „De wil om God te dienen is goed, noodzakelijk, dikwijls het enig vereiste, maar de eerste steen is nog niet de sluitsteen.” Het is daarom dat de Heilige Geest zelf de taal der menselijke liefde spreekt, als Hij onze ziel wil werven voor de vreugde en de vrijheid, het spel en de ernst en de smart der goddelijke liefde. De heiligen van alle eeuwen hebben deze taal verstaan. In de woorden van het Hooglied vonden zij de uitdrukking voor hun diepste verlangen en hun innigste leven. Indien wij menen dat hun mystieke verzuchtingen voor ons niet zijn weggelegd en nederige zelfkennis ons de weg tot dit paradijs moet afsluiten, dan mogen wij de vermaning van Sint Gregorius overwegen: „Weest er van overtuigd, mijn broeders, dat bij alles wat gij verricht, de nederigheid de wortel is van het goede werk. Richt daarom uw blik niet op hen die gij meent te overtreffen, maar op degenen die hoger staan dan gij. Zolang gij uw ogen gevestigd houdt op de voorbeelden van hen die beter zijn dan gijzelf, zal de nederigheid u in staat stellen steeds hoger te stijgen” ( In evang. hom. 7, 4).

2. De door God gewekte verering van Jezus’ heilig Hart is niets anders dan een hernieuwde uitnodiging van zijn barmhartigheid om de weg der liefde te gaan. De albeheersende liefde Gods is zijn grootste gave en allerminst onze eigen prestatie, maar wie niet vurig naar haar verlangt en er zijn hart voor openstelt, zal haar nimmer ontvangen. „Waak op, noordenwind; zuidenwind, kom! Waai door mijn tuin, laat zijn balsemgeur stromen, opdat mijn Beminde mijn lusthof betrede, er zijn kostelijke vruchten moge smaken” ( Hoogl. 4, 16 ). Jezus bedelt om onze liefde; nogmaals, niet om een min of meer ingebeelde stemming noch om een werkeloze en offerschuwe vertedering en ook niet om de koele en plichtmatige onderwerping van onze wil, – maar om de overgave van ons hart. Hij wil door zijn liefde en de genadeschatten van zijn Hart onze wil en ons gevoel veroveren en in vlam zetten, geheel ons menselijk vermogen om te beminnen . „Sterk als de dood is de liefde, onverbiddelijk als het graf is haar gloed … Al bood iemand al de schatten van zijn huis voor de minne, smadelijk wees men hem af” ( Hoogl. 8, 6. 7 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *