De steviger spijs en de vuriger drank

244. Zesde Zondag na Pinksteren

„Ik heb medelijden met de schare, want zie, reeds drie dagen volgen zij Mij en zij hebben niets meer te eten. Als ik hen ongespijzigd naar huis zend, zullen zij onderweg bezwijken; en sommigen zijn van verre gekomen” ( Mk. 8, 2. 3 ; evangelie).

1. Die mensen hadden zeker mondvoorraad en ook drinken meegenomen. Maar zij zijn van Jezus niet weg te slaan en na drie dagen „hebben zij niets meer” . Ongetwijfeld werden zij niet alleen gedreven door geloof en hebben ook vrij aardse wonderverlangens hun invloed doen gelden, maar toch leefde in die menigte iets wat Amos noemt „de honger niet naar brood, maar naar het woord Gods” ( 8, 10 ). Er is iets roerends gelegen in het standvastig volgen van de Meester, door die dorre streek, onder de blakerende zon. Zij voelden intuïtief dat God zich openbaarde in de Leraar, die „sprak met gezag” . En treffend en leerzaam is de zorg van Jezus hen ook naar het lichaam te voeden, vóór Hij hen wegzond, want „sommigen moesten ver gaan” eer zij thuis waren. Zijn medelijden met hun stoffelijke nood spoort allen die geestelijk willen leven aan, de lichamelijke werken van barmhartigheid niet te minachten. Zolang wij in het vlees leven moeten wij naar Jezus’ voorbeeld de nooddruft van het lichaam deemoedig dragen en de evenmens naar vermogen bijstaan. Zo gemakkelijk zijn wij hier op aarde onderhevig aan de gevaren der zelfbegoocheling, maar wie ook de minsten van Christus’ broeders weldoet om zijnentwil mag er zeker van zijn dat hij treedt in het veilige voetspoor van de Meester.

2. Terecht beschouwt Sint Ambrosius in de homilie op het evangelie dit wonderbare brood der vermenigvuldiging dat Jezus „dankzeggend brak en uitdeelde” als een beeld van die „steviger spijs en vuriger drank” die de eucharistie is. Hoe zelden en hoe lauw zoeken wij de goddelijke levensspijs! De zorg voor het dagelijks brood, of, veel erger, de begeerte naar meer bezit, de honger naar rijkdom en materiële geneugten belet ons de honger naar het woord Gods. „De mens leeft niet alleen van brood, maar van alle woord dat komt uit Gods mond” ( Mt. 4, 4 ).

En van welk gehalte is niet zelden het geestesvoedsel, dat wij zoeken! Een gemakkelijk amusement, een in de grond onwerkelijke verstrooiing, die onze fantasie een ogenblik ontrukt aan de grauwe alledaagsheid om ons eenzamer en leger achter te laten. Maar de alledaagsheid is niet grauw, vervuld als zij is voor de gelovige mens van Gods aanwezigheid.

3. De vereniging met God door het geloof en de liefde is het ware brood van de christen. De heilige communie is daarvan het onschatbare zinnebeeld en de immer stromende bron tevens. Jezus zelf is in de eucharistie die krachtige spijs, sterkte gevend voor elke strijd en voor elke dag, vullend grijze leegte, overwinnend verlammende moedeloosheid. Hijzelf is die vurige wijn die bedwelmt van liefde alwie zich in zelfverloochening aan Hem geeft.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *