De tegenwoordigheid Gods

242. Vrijdag na de Vijfde Zondag na Pinksteren

„Ik wil de Heer zegenen die mij inzicht schonk. God stelde ik mij steeds voor ogen; staat Hij mij ter zijde, dan wankel ik niet” ( Ps. 15, 7. 8 ; offertorium van de Zondag).

1. „Toen Abram negen en negentig jaar oud was, verscheen hem de Heer en Hij sprak tot hem: Ik ben God, de Almachtige. Wandel voor mijn aanschijn en wees volmaakt” ( Gen. 17, 1 ). Deze woorden van God tot de stamvader van het uitverkoren volk hebben eens voor al het kenmerk van de ware vroomheid bepaald als een bewust leven in de tegenwoordigheid Gods om daardoor te geraken tot de volmaaktheid die de Heer behaagt. De psalmen zijn van deze vroomheid vervuld. De boven aangehaalde tekst is slechts één van de vele die uitdrukkelijk uitspreken wat altijd aanwezig is als de levende achtergrond van die liederen en wat kardinaal Newman in zoveel later tijd heeft geformuleerd als het besef van „die twee volstrekte en klaarblijkelijke wezens, mijzelf en de Schepper” . Jezus heeft dit bewustzijn oneindig dieper en sterker gemaakt door de openbaring van het kindschap Gods waarvan Hij ons in zijn aanbiddelijke persoon het volmaakte beeld heeft getoond. „Die Mij gezonden heeft is met Mij en Hij laat Mij niet alleen, want wat Hem behaagt volbreng Ik immer” ( Joh. 8, 29 ). Dit leven in Gods tegenwoordigheid dat de ware christenen kenmerkt, is niets anders dan de gemakkelijk en dikwijls opwellende gedachte, die ten slotte een innige en blijvende zekerheid wordt, dat God met ons is en ons bemint, het ons nooit geheel verlatende besef dat God alwetend is en almachtig, het bewustzijn te leven voor zijn aanschijn, door de genade van God opgenomen te zijn in zijn liefde en deel te krijgen aan zijn eeuwig leven. Het is niet zozeer een plaatselijke voorstelling van Gods aanwezigheid als wel een zich met Hem verenigd en aan Hem gebonden te weten. Het ontstaat niet door redenering, maar het is onmiddellijk : levend en werkzaam geloof dat de ziel bijna voortdurend doordringt. Het vervult ons geweten, niet met angst, maar wel met een grote nederigheid en het besef van onze onwaardigheid, die ontstaan doordat wij zonder ophouden onze ellende stellen tegenover de majesteit Gods (deze ontmoeting van de ziel met haar God is immers met het ware gebed vanzelf gegeven). Tegelijkertijd geeft het ons vastheid en vertrouwen, omdat wij beginnen helemaal niet meer op onszelf maar in alles op zijn voorzienigheid te steunen. En het wordt bekroond door die innerlijke vrede die waarschijnlijk Christus’ vrede is: te weten dat wij in de hand des Vaders door nederigheid en overgave veilig zijn geborgen, te mogen weten dat wij bemind worden door zulk een liefde.

Wij moeten ons standvastig oefenen in gebed en ingetogenheid om tot deze vrede te geraken die nooit te duur is gekocht. Maar wij moeten wel beseffen dat dit leven in Gods tegenwoordigheid nooit wordt bereikt zonder de wil tot volstrekte eerlijkheid tegenover God. Hoe kunnen wij leven voor zijn aanschijn, als wij achterhouden, redeneren en bedingen willen, als wij Hem niet alles willen geven?

2. „Gewone mensen zien God op een afstand; bij hun pogingen om godsdienstig te leven worden zij als het ware geleid door de zwakke schijn van een ver licht en zij zien zich gedwongen berekeningen te maken en naar de weg te zoeken. Maar de ervaren christen die door Gods erbarming in de nabijheid leeft van zijn tegenwoordigheid, de uitverkorene van God in wie de Heilige Geest woont, hij behoeft niet buiten zichzelf uit te zien naar de sporen van God. Hij wordt bewogen door God die in hem verblijft en hij behoeft slechts zijn innerlijke aandrang te volgen. Ik zeg niet dat er een mens bestaat die aan dit beeld volmaakt beantwoordt, want zulk een leven moet engelachtig worden genoemd; maar het is toch een toestand van de geest waarheen krachtig bidden en waken ons geleidt … Zijt gij aldus gewoon uw hart te openen en uw gedachten te onderwerpen aan de almachtige God? Leeft gij in het besef van zijn tegenwoordigheid en hebt gij de overtuiging dat zijn aanwezigheid u geschonken wordt tot uw heil, opdat gij namelijk in het bewustzijn daarvan zoudt leven? Gelooft gij en handelt gij volgens het geloof dat zijn licht in uw hart doordringt en doorstraalt, zoals de zonnestralen een kamer verlichten? Gij weet hoe de dingen er uitzien in het licht van de zon: de lucht zelf schijnt dan vol onreinheid die te voren niet werd waargenomen. Zo is het ook met onze ziel …” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *