De tragiek der verspeelde kansen

265. Negende Zondag na Pinksteren

De tragiek der verspeelde kansen

„Toen Jesus Jerusalem naderde en de stad aanschouwde, begon Hij om haar te wenen en zeide: „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt! Maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen. En zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd dat God naar u omzag niet hebt erkend” ( Lk. 19, 41-44 ; evangelie).

1. Jesus heeft de stad lief die de glorie was van zijn volk en zijn vaderland, het heilige Jerusalem met zijn grootse tempel, nog het ene heiligdom van Jahweh, de God der vaderen, de stad van de oude koningsdynastie, de stad der belofte. Maar Jesus weet, dat de beloften zullen overgaan, hoe spoedig, naar het nieuwe Jerusalem en het nieuwe godsvolk. En als Hij van de hoogte van de Olijfberg de stad ziet liggen met de marmerweelde van Herodes‘ tempel en de glans van witte daken in het zonlicht, schuift zich voor dat vertrouwde panorama het wrede beeld van de gruwel der verwoesting: het verschrikkelijke beleg van het jaar 70 en de ondergang van al wat de Joden dierbaar was. Rokende puinen, wolken van stof, verminkte lijken; de Heer ziet die toekomst even werkelijk als het heden. En het heel erge is: wat zeker gaat gebeuren, hoefde niet zo te zijn. Nog zou het mogelijk wezen. „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt!” Maar het is verborgen voor de ogen der Joden. In schuldige verblindheid miskennen zij de tijd van Gods bezoekingen en versmaden zij hun redding, die in Jesus tot hen komt. Het is de tragiek van de verloren kans, van het verworpen heil. Het is als wanneer een zeer dierbaar mens voor onze ogen ten onder gaat, door eigen schuld.

2. Wij vinden hier tweevoudige lering. Op de eerste plaats kunnen wij een strikt persoonlijke toepassing maken. Wat geldt voor het oude volk Gods, bevat ook een ernstige les voor de afzonderlijke christen (en Sint Paulus houdt ons in het epistel eigenlijk dezelfde waarschuwing voor). Vóór onze zalige dood is ons heil niet zeker. „Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle” ( 1 Kor. 10, 12 ; epistel). Ook voor de christen, die eenmaal verloren gaat, geldt het woord van de christelijke tragiek: „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt!” Wat wellicht eenmaal zal zal geschieden, hoefde niet te zijn. Maar is ook menigmaal „voor onze ogen niet verborgen” de ontzettende ernst van de tijd van ons leven? Het lichtvaardige spel van onze vrijheid met de verlokkingen der zelfzucht is toch een spelen met allerlaatste dingen, een spelen met vuur …

3. En de tweede les: wat Jesus wenend zeide over Jerusalem, geldt collectief voor de mensheid, voor de wereld. „Ach, versmaad uw heil niet. Nog is bekering en redding mogelijk.” En al zijn er over de wereld dagen gekomen bij wier ellende de gruwelen van Jerusalem verbleken: verstaat de mensheid de tijd van Gods bezoeking? Zal zij tot inkeer komen of zullen alle verschrikkingen van verwoesting en menselijke ontluistering slechts het voorspel zijn van de tweede dood en de poel van vuur en zwavel ( Openb. 20, 14 )?

En zo wij zelf „menen te staan”, mogen wij toch niet menen dat dit ons niet aangaat. Christus heeft zijn Kerk, dat is ons, de zorg opgelegd voor het heil der wereld. Ieder van ons op zijn plaats en in het kader van zijn eigen mogelijkheden is mede verantwoordelijk voor de redding der velen. Ook hier heerst de wet der goddelijke mogelijkheden. Indien onze vrijheid volledig medewerkte, indien wij meer baden en boetten, zouden anderen rijker genaden ontvangen.