De verantwoordelijkheid der geroepenen

336. Maandag na de Negentiende Zondag na Pinksteren

„Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” ( Mt.22, 14 ; evangelie van de Zondag). Dit korte gezegde van onze Zaligmaker, dat met de voorafgaande gelijkenis slechts in een los verband staat, is wel geschikt onze ernstige aandacht op te wekken. Wij denken hierbij aan die andere woorden van Jezus: „Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg die tot het verderf leidt en velen zijn er die daardoor ingaan. Want eng is de poort en smal de weg die ten leven leidt en weinigen zijn er die hem vinden” ( Mt.7, 13. 14 ). Er is een tijd geweest dat men aan deze uitspraken des Heren niet lichtvaardig voorbijging, dat beroemde kanselredenaars predikaties hielden over het onderwerp: het geringe aantal uitverkorenen. Wij hebben meestal met deze beschouwingen afgerekend door ze jansenistisch te noemen. En het is zeker dat de Heer ons geen openbaringen heeft gedaan omtrent het getal der zaligen, dat Gods barmhartigheid oneindig is en dat aan allen in Christus overvloedig heil wordt aangeboden . Toch kunnen wij ons met recht afvragen, of wij ons niet somtijds door een oppervlakkig optimisme laten leiden. Hebben de verschrikkelijke tijdingen die wij hebben beleefd en nog beleven ons niets geleerd?

1. Eén ding is zeker: de verantwoordelijkheid der geroepenen is ontzettend groot. En op de allereerste plaats voor wat henzelf betreft. Wij die de geroepenen bij uitstek zijn, die door Gods genade leven in de ware godsdienst, die het geloof hebben ontvangen en de liefde, wie het woord Gods werd geschonken en de prediking der Kerk, aan wie het offer van Christus en de sacramenten werden toevertrouwd, wij mogen wel beseffen dat al deze gaven evenzovele verantwoordelijkheden betekenen: talenten die God van ons met de rente zal opvorderen, kapitaal dat zijn vrucht met woeker moet opbrengen. „Als medewerkers van God vermanen wij u de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen” ( 2 Kor.6, 1 ). De vijgeboom die onvruchtbaar blijft, zal worden omgehouwen. „Van eenieder, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd” ( Lk.12, 48 ). Laten wij dit bedenken die door God tot zijn intimiteit werden toegelaten niet om in een gemakkelijke en gewaande veiligheid te leven en „de anderen” lichtvaardig te veroordelen, doch om vruchten van boetvaardigheid en liefde voort te brengen.

2. En ook dit is zeker: God wil zich van de geroepenen bedienen om de anderen te roepen. De Kerk moet een teken zijn voor de wereld, een schitterend en stralend teken van heiligheid, niet een toneel van banale menselijkheid, van hebzucht, haat en egoïsme. Het leven der christenen moet een openbaring zijn van Christus’ menswording, een onthulling van het goddelijke Woord: „Ziet, hoe zij elkander liefhebben.”

Wanneer wij de mensheid dit teken niet voorhouden, zal de zonde der wereld wellicht geringer zijn, maar onze schuld veel groter. „Gij zijt het zout der aarde. Indien het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden” ( Mt.5, 13 ). Wanneer het waar is dat de mensheid ondergaat in haat en tuchteloosheid, dat zij de glorie van God heeft verruild niet eens voor het heilige beeld dat de oude heidenen aanbaden, maar voor de vergoding van de stof en de machine en het bruut geweld, — laten wij dan niet hen verachten die Christus nooit waarachtig hebben gekend en die door nood en ellende van de Kerk zijn afgedreven, maar laten wij onszelf, onverdiend bevoorrechten, ernstig en eerlijk onderzoeken voor Gods alwetend oog. „Wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen zich schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders met de heilige engelen” ( Mk.8, 38 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee