De vernedering die ons oprichtte

146. Palmzondag

De oratie en het epistel van de mis spreken van de nederigheid van de Zaligmaker, dat is, van zijn vrijwillig aanvaarde, allerdiepste vernedering. „Almachtige eeuwige God, die onze Verlosser het vlees hebt doen aannemen en het kruis bestijgen, opdat het menselijk geslacht zijn voorbeeld van nederigheid zou navolgen …” En het epistel bevat de schone tekst uit Paulus ‘ brief aan de Philippenzen : „Hij heeft zich ontledigd (ofschoon Hij God gelijk was) en de gestalte aangenomen van een slaaf … Hij geeft zichzelf vernederd en werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood van het kruis” ( Phil. 2, 6—7 ). Maar wij vieren heden toch Jezus’ triomf, zijn zegevierende intocht in Jerusalem? Het is waar: de Kerk voert in haar liturgie dit toneel op dramatische wijze op, als de intocht in het hemelse Jerusalem (de Stad die Hem niet bedriegt), om haar Bruidegom te eren, „Koning Christus, de Verlosser, de goede en milde Vorst wie alle goeds behaagt” . Als wij echter onze ogen afwenden van deze liturgische sublimering en ons één ogenblik de historische situatie indenken van Jezus’ intocht in de stad die Hem na enkele dagen zou kruisigen, dan begrijpen wij dat deze triomf van zijn kant een daad was van diepe nederigheid, een dulden van een bijna belachelijke huldiging, om de Schriften te vervullen. „Zachtmoedig, gezeten op het jong van een ezelin” ( Mt. 21, 5 ), neemt Hij het enthousiasme in ontvangst van pelgrims uit Galilea, terwijl de hoofdstad zelf onverschillig blijft en priesters en schriftgeleerden Hem reeds becritiseren ( Mt. 21, 10. 15 ). En Hij weet wat Hem wacht na weinige dagen, Hij weet nog vóór het ervaren te hebben wat de gunst van de wereld waard is.

2. In de beschouwing van Jezus’ lijden bepalen wij onze aandacht dikwijls te veel tot zijn lichamelijke pijn. wij denken te weinig aan de ontzaglijke vernedering die Hij zwijgend en zachtmoedig doorstaan heeft. Daar is vooreerst de menswording zelf, die fundamentele vernedering waarvan Sint Paulus spreekt in het epistel, het aannemen van de knechtsgestalte. Dat Hij „die in goddelijke gestalte bestond en zijn gelijkheid met God geen roof behoefde te achten” , mens werd, is een vernedering, waarvan wij de omvang nimmer zullen beseffen ( carnem sumere ). Maar Hij is om onzentwil bovendien een diep vernederde mens geworden. Hij is door zijn eigen volk verworpen als een bedrieger en godslasteraar. Bijna allen, ook zijn intiemste leerlingen en vrienden, hebben Hem verlaten. Menselijkerwijze gesproken, was zijn zending, zijn hoog ideaal, totaal mislukt. Hij werd gegeseld en bespot. Zijn gelaat, die spiegel der ziel, werd bespuwd en geschonden. Hij stierf ten slotte de kruisdood, dat is, Hij onderging de onterende terechtstelling die bij voorkeur voor slaven bestemd was en werd in waarheid „met misdadigers gelijkgesteld” ( crucem subire ).

3. Zo heeft Jezus metterdaad, met de daad van heel zijn leven, ons een goddelijk „voorbeeld van nederigheid” gesteld. Daardoor ook heeft Hij de naam verworven die boven alle naam is (epistel), de „grote naam van Gods ééngeboren Zoon” (Palmwijding) en de heerlijkheid, waarvan de koningsprocessie met palmen ons, sterfelijke mensen, slechts een flauw vermoeden kan geven.

„De leerling is niet beter dan de meester” ( Mt. 10, 24 ). Waar blijft onze navolging metterdaad van onze vernederde Zaligmaker? Bruist onze toorn niet op als wij een belediging, hoe gering ook, moeten verduren? Dulden wij ooit, zwijgend en zachtmoedig, de minste smet op onze eer en goede naam, wij die slechts mensen zijn en in onze handelingen en ons leven zwakke en zondige mensen?

O, Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van hart, maak ons hart gelijkvormig aan het uwe. Moeder van Smarten, spreek ten beste voor uwe kinderen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *