De vreugde der Kerk

132. Vierde Zondag van de vasten

De liturgie van deze Zondag geeft ons een goed voorbeeld van de waarachtige oudchristelijke geest waarin de mysteries van het kerkelijk jaar werden gevierd, van dat geloof dat ook ons moet bezielen tot een aanbidding in geest en waarheid. Wij moeten van de Kerk — van de Schrift , de Vaders en de liturgie — wederom leren hoe wij de werkelijkheid van het heil met geloof benaderen mogen.

Deze Zondag Laetare is er een van vreugde te midden van de zware en ernstige serie der vasten- en boetedagen. Hij is als een psychologisch rustpunt, een verpozing op de moeizame weg die ons leidt naar de feesten der verlossing. Wij vragen in de oratie dat wij heden „door de vertroosting van Gods genade mogen herademen” en verkwikt worden. Dit psychologische element begrijpen wij aanstonds. (Zelfs de wereld heeft in haar halfvastenviering daarvan iets onthouden). Maar dit inzicht is slechts een eerste stap in de richting van het volledige begrip. Welke vreugde is het die de Kerk vandaag doet jubelen? Waaraan ontleent zij de moed en de kracht tot deze voortijdige blijdschap? In de weken die voorafgingen heeft zij het kleed van boete en ingetogenheid aangedaan en zij hulde zich menigmaal in het gewaad van de Synagoge. Wij luisterden naar de lessen van het Oude Verbond . Wij vereenzelvigden ons met de mensheid die in schaduwen en beelden uitzag naar de verlossing van Christus, omdat ook wij elk jaar het geheim van Gods barmhartigheid als nieuwe genade willen ervaren. Vastentijd is voorbereiding. Wij verlieten in de geest het heiligdom om met de geloofsleerlingen op het Paasfeest de prille vreugde te kunnen smaken, — als op de eerste dag — van de intrede in Gods tempel, om hun heilige huiver te kunnen delen als wij wederom proeven mogen hoe zoet de Heer is.

Maar vandaag is het alsof het zelfbewustzijn van Christus’ Bruid zegevierend dóórbreekt, vooruitlopend op de paasvreugde. Zij wéét zich, ondanks de kwellingen van deze tijd, ondanks de vóóropleiding die de vasten is, nu reeds de „vrije Vrouw” , het ware „Jerusalem van omhoog” (epistel), de „Sionsberg die in eeuwigheid niet wankelt” ( Ps. 124, 1 ; tractus ), de Stad Gods „zo innig saamgevoegd” ( Ps. 121, 3 ; communio ). Het epistel en bijna alle gezangen van de mis staan vol van Jerusalem- en Sion-teksten, dat wil zeggen, van die godswoorden uit het Oude Testament die slechts dan verstaanbaar worden, wanneer wij ze profetisch verstaan, als voorafbeeldende aanduiding van Christus’ Kerk. Het is alsof zij heden haar eigen mysterie bezingt in een opzettelijk contrast met de voorafbeeldingen van het Oude Verbond , — alsof zij zeggen wil: „Zie de Bruis de Heren en aanschouw haar verborgen schoonheid, ook in de dagen dat ik vrijwillig mijn kleed aanleg van de boete en de voorbereiding. Al de glorie der oude Bediening is slechts heerlijkheid door de schaduwen die ik vooruitwierp.”

In dezelfde geest leert ons Sint Paulus het Oude Testament verstaan in het epistel ( Gal. 4, 22-31 ) dat moeilijk heet (omdat wij dit waarlijk theologische denken veelal verruild hebben voor gemakkelijke stichting en zoete devotie), maar diepe zin verbergt. Agar de slavin is met haar kind beeld van de onvrije Synagoge, van het Verbond op de Sinaï dat in Paulus ‘ dagen steeds meer ontaardde tot het formalisme van het latere jodendom en dat door Christus’ kruisdood had afgedaan. Maar Sara de „vrije vrouw” met Isaak , de zoon van Gods belofte méér dan van het vlees, is het beeld van de Kerk der christenen die haar geestelijke kinderen in vrijheid baart. Want zij heeft geen aards centrum zoals het jodendom toen had, maar zij is zelf de hemelse Stad Gods, — zoals ook haar kinderen niet door fysieke afstamming haar worden geschonken, maar krachtens Gods Belofte, door de werking van zijn Geest. En daarom is zij vrij , niet gebonden aan de aarde of aan vlees en bloed (donker en zonder erbarmen), en zelfs niet aan een wet die alleen maar uiterlijk zou zijn, doch aan de in het hart geschreven, levende normen van de Geest. Dat is haar vreugde: het besef in Christus op aarde Gods gemeenschap en woonplaats te zijn. En dit is onze vreugde die zich heden een weg baant door alles heen: tot haar te mogen behoren die van Christus vervuld is. „Ik was verblijd toen zij mij zeiden: „Wij gaan naar het huis des Heren” ( Ps. 121, 1 ; graduale ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *