De vurige verwachting

199. Octaafdag van ’s Heren Hemelvaart

„Zij gingen naar de opperzaal waar zij gewoonlijk verbleven: Petrus en Johannes , Jakobus en Andreas , Philippus en Thomas , Bartholomeus en Mattheus , Jakobus en Alpheus en Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus . Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed, tezamen met enige vrouwen, met Maria, de Moeder van Jezus en met zijn broeders” ( Hand. 1, 13. 14 ).

Jezus had voor zijn Hemelvaart zijn leerlingen geboden naar Jerusalem terug te keren en daar de belofte des Vaders af te wachten en de kracht te ontvangen van de Heilige Geest, die over hen na enkele dagen zou neerdalen ( Hand. 1, 4-8 ). Zij sloten zich aaneen en trokken zich terug, in afzondering en gebed, een kleine en onbeduidende groep, de schamele kern van de Kerk, die de wereld moest overwinnen. Alleen door „de kracht van den hoge” zou deze zegen mogelijk zijn. Het vuur en het licht van Gods Geest alleen zou hen in staat stellen de wereld onbevreesd tegemoet te treden, al hun krachten te wijden en zichzelf te geven aan de grootse taak, die hen wachtte.

Maar wij zien tevens, dat zij, van hun kant, zichzelf op de komst van de Geest wilden voorbereiden, dat zij met een zuiver en eerlijk hart Gods gave wilden ontvangen.

1. In de tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren trekken wij ons met Maria, de Moeder van Jezus, en met de apostelen terug in de gesloten opperzaal van de Kerk en van ons hart, smekende om de komst van de Geest, de grote en enige Gave des Heren, die onze zielen veranderen zal, louteren en in brand steken, verlichten en sterken. Zoals de hemelse zaligheid en de aanschouwing Gods ons enig verlangen is voor het leven na dit leven, zo moet de Geest van Jezus en zijn genade ons enig begeren zijn voor deze aarde. Hij alleen, de Vertrooster en Helper, de Schepper en de zoete Gast der ziel, sticht in ons de „nieuwe schepping” en doet ons gelijken op het beeld van de Eéngeborene, zodat de Vader ons herkennen en erkennen kan als ware kinderen, uit God geboren.

Deze gave wordt ons geschonken door Gods loutere goedheid, om de verdiensten van Jezus’ bloed. Maar wij moeten ons hart gereed maken. De beste voorbereiding is: vurig verlangen. Doch dit verlangen, deze innerlijke, nederige en vertrouwvolle roep om God in ons, is onmogelijk zonder stilte en diepe ingetogenheid. Sluit de deuren van het hart en de vensters der ziel voor alles wat God niet is. Deze geestelijke stilte is de onmisbare medewerking van de mens met de grote, herscheppende arbeid van Gods liefde in de zielen.

En hoe deze stilte beter te verwerkelijken dan in innige vereniging met de Moeder Gods, die in van God vervulde eenzaamheid het Woord mocht ontvangen en die nu wederom, zwijgend, maar zuiver en vurig verlangend, de komst verwacht van de Heilige Geest? Zij is de onvergelijkelijke Meesteres van het nederig en geestelijk gebed.

2. Bij dit verlangen moet zich de bereidwilligheid voegen van onze wil om God alles te geven wat Hij vragen zal. Of liever: dit verlangen sluit, indien het oprecht is, de wil in om te lijden met Christus. Daardoor eerst stellen wij ons hart open voor de onbelemmerde werking des Geestes. Slechts zo wij ons eigen „leven” willen opgeven, zullen wij het Leven verwerven.

God heeft in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit de mens de vrijheid geschonken en deze vrijheid wordt door Hem gerespecteerd. Zijn genade doet de ziel geen geweld aan. Een vrije en volkomen liefde alleen is Hem waardig. Wij hebben daarom de verschrikkelijke macht zijn genade te weerstaan en door ons egoïsme de oneindige mildheid van zijn liefde in te perken. Wie om de genade van de Heilige Geest bidt met een hart, dat a priori in bepaalde punten aan zijn eigen begeren gehecht blijft, verlangt niet waarachtig. Hij stelt reeds te voren grenzen aan de werking der Liefde die zich onbegrensd wil meedelen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *