De zachtmoedigheid Gods

8. Tweede Zondag van de Advent

„Zalig wie zich aan Mij niet ergert” ( Mt. 11, 6 ; evangelie).

1. Johannes de Doper kwijnt weg in het donker cachot van Machaerus waar de lafheid van Herodes Antipas en de haat van een vrouw hem hebben opgesloten. De zoon van de woestijn en de wijde ruimten in een kerker; de mond die tot boete maande en onvervaard de waarheid sprak, tot zwijgen gebracht. Zijn leerlingen die hem kunnen bezoeken, verhalen van Jezus’ optreden, hoe Hij thans de scharen tot zich trekt en alles uitstroomt naar Hem . Maar Hij is geen austere boetgezant, geen streng asceet als Johannes . Hij is „zachtmoedig en ootmoedig van harte” . Het is nog het begin van zijn openbaar leven: hoe gaarne luisteren de mensen naar zijn wonderbaar woord, hoe gaat Hij weldoende rond, als een goede geneesheer hen helend van al hun kwalen. En Johannes denkt na in de eenzaamheid van zijn gevangenis.

Hij is vrij van de afgunst die zijn leerlingen kwelt. Had hij zelf niet gezegd: „Hij moet groter en ik steeds kleiner worden” ( Joh. 3,30 )? Geen twijfel knaagt er aan zijn hart. Hij heeft immers de Geest zien neerdalen over Jezus bij de doop in de Jordaan. Hij weet dat Deze de messias is, de grote Verlosser van Israël. Maar hij begrijpt het niet. De messias zou de Machtige zijn die dopen moest met Heilige Geest en met vuur. „Hij heeft zijn wan in de hand en Hij zal zijn dorsvloer zuiveren: de tarwe verzamelen in de schuur, maar het kaf in onuitblusbaar vuur verbranden” ( Mt. 3, 12 ). Hij zou de hardnekkige zondaars vernietigen en de grote zuivering voltrekken. Hij, de Rechter, zou rechtvaardigheid herstellen op aarde. En nu, niets dan geduld en zachtmoedigheid en verdragen van onrecht. „Zijt Gij de Komende of moeten wij misschien een ander verwachten?” laat hij zijn discipelen aan Jezus vragen. Zijn jeugdige en vurige ziel kan niet langer wachten. Hij ziet zijn einde naderen. Hij is niet be- vreesd voor de dood, maar hij wil vóór het sterven de droom van zijn leven aanschouwen: de heerlijke komst van het Godsrijk en de gerechtigheid hersteld op aarde.

2. De beproeving van Johannes is het kruis van vele edelmoedige zielen, van velen op wie men, evenals op hem, het woord van de psalmist zou kunnen toepassen: „Gij hebt de gerechtigheid lief en haat de boosheid” ( Ps. 44, 8 ). Zij moeten zich het slot van Jezus’ antwoord aan Johannes herinneren: „Zalig wie zich aan Mij niet ergert” . Zalig wie in God blijft geloven, ook als hij zijn handelen niet langer begrijpt. Zalig wie het spoor niet bijster raakt, wie blijft vasthouden. „Niemand die in Hem gelooft, zal te schande worden” ( Rom. 10, 11 ).

Deze zachtmoedigheid Gods is een van de diepste mysteries der voorzienigheid. De Heer laat het onkruid opgroeien met de tarwe, ook op zijn meest uitgelezen akkers. Eerst op het einde der wereld „zal de Mensenzoon zijn engelen zenden. Zij zullen uit zijn Rijk alle ergernisgevers verzamelen en hen die ongerechtigheid plegen en ze in de vuuroven werpen. Daar zal geween zijn en geknars der tanden. Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het Rijk van hun Vader” ( Mt. 13, 41-43 ). Maar thans leven wij nog in de periode van Gods lankmoedigheid. Volgen wij Jezus na in het ootmoedig verdragen van onrecht, in het dulden van de zonde die wij niet verhinderen kunnen. God zelf heeft voor ons de dood der misdadigers willen ondergaan. En bedenken wij, hoezeer ook wijzelf Gods barmhartigheid van node hebben. „Of miskent gij de rijkdom van zijn goedheid, geduld en lankmoedigheid en beseft gij niet dat Gods goedheid u aanspoort tot boete en bekering” ( Rom. 2, 4 )?

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *