De zoetheid van Gods geboden

266. Maandag na de Negende Zondag na Pinksteren

„De verordeningen des Heren zijn rechtvaardig, verheugenis des harten; zijn oordelen zoeter dan honig en zeem. Ook uw dienaar onderhoudt ze” ( Ps.18, 9-12 ; offertorium van de Zondag).

Hoe roerend was de liefde van de vrome Israëliet voor Gods gebod. „De wet de Heren is volmaakt, een verkwikking voor de ziel. Zijn getuigenis betrouwbaar, het maakt de onnozele wijs. Zijn gebod is louter, de ogen verlichtend. Gods oordelen zijn waarheid en gerechtigheid al te gader, kostelijker dan goud …” ( Ps.18, 8-11 ). En deze uitspraak is er één uit vele. In die oude tijden, voor het farizeïsme het volk ondragelijke lasten had opgetast ( Mt.23, 4 ; Hand.15, 10 ), was het voor de rechtgeaarde Jood een lust „te zinnen op ’s Heren Wet” ; en deze belangstelling beperkte zich waarachtig niet tot enkel bespiegeling. „Ook uw dienaar onderhoudt ze.” Maar daarnevens keerde hun geest telkens terug tot de wet als tot de hoogste schoonheid. „Aan alle volkomenheid zag ik een einde, maar uw gebod is onbegrensd” ( Ps.118, 96 ).

1. Ons mag deze geestdrift voor wetten en voorschriften bevreemden en wij staan spoedig gereed met benamingen als wettische instelling, formalisme, uiterlijkheid. Ongetwijfeld bestaat er gevaar voor een dergelijke mentaliteit en het jodendom wist zich in de dagen van Jezus en Paulus hiervoor niet te vrijwaren. Wij kunnen zelfs zeggen dat er altijd kans is op uiterlijkheid en formalisme, wanneer wij het christendom te zeer zouden beschouwen als een wet of een samenstel van wetten, de mens van buiten af opgelegd. „Zo gij u door de geest laat leiden, staat gij niet langer onder de wet” ( Gal.5, 18 ). Maar wij moeten ons wachten voor een lichtvaardig en simplistisch oordeel. Wat aan de ware oudtestamentische vromen en aan figuren als Simon en Zacharias hun veneratie voor de wet ingaf, was een diepe, diepe eerbied voor de majesteit Gods en een zuivere onderwerping aan zijn eeuwige en heilige wil, die ons veeleer beschamen dan bevreemden moet. En wat óns Gods geboden te weinig doet achten en vrezen, is veelal niets dan gemakzucht en oppervlakkigheid. Oppervlakkigheid vooral, die het ons aan de onontbeerlijke en onvervangbare „vreze des Heren” doet ontbreken.

2. Zo groot was hun liefde voor Jahweh’s wet, dat zijn geboden zoeter smaakten dan honig. En ons, christenen, zouden zij zwaar vallen? Sprak de Heer onwaarheid, toen Hij zeide: „Mijn juk is zacht en mijn last is licht” ( Mt.11, 30 )?

Maar het is dwaasheid te ontkennen dat Gods wil en wet menigmaal harde offers vraagt van onze zelfzucht. Hoe wordt dan de onderhouding van ’s Heren wet een genot? Reeds oude wijsheid geeft een eerste antwoord: „Kies het beste leven; de gewoonte zal het aangenaam maken” ( Epictetus ,fragm.144). Doch groter wijsheid leert de Navolging : „Waar liefde heerst, wordt geen zwarigheid gevoeld en zo de last al drukt, wordt hij toch bemind” . Omdat de christen God liefheeft als zijn Vader, omdat de Geest van Jezus woont in zijn ziel. „Wij hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat wij zouden beseffen wat ons door God in genade is geschonken” ( 1 Kor.2, 12 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)