De Zon des heils

116. Quatertempervrijdag in de vasten

O Jezus, Zon des heils, beschijn

ons harten diepste grond,

nu wijkt de nacht en liever dag

opnieuw geboren wordt.

Gij die de heilstijd schenkt, geef ook

met tranenstroom het hart

Die bron waaraan de zonde ontsprong

schenkt nooit te stuiten stroom,

zo Gij de starre kost van ’t hart

met boetes staf doorbreekt.

De dag licht aan, úw dag, waarop

het al in bloei zal staan.

Verblijd ook ons, door uwe hand

geleid in ’t rechte spoor.

Gebogen aanbidde U ’s werelds rijk,

o milde Triniteit

en wij, door gratie blij vernieuwd

beginnen ’t nieuwe lied.

1. Voor hen die geen Latijn verstaan wordt hier een proeve geboden van een vertaling van het schoneO Sol salutis, de hymne der lauden in de vastentijd. De lauden zijn het uur van de dageraad. De eerste en de vierde strofe zinspelen daarop, zoals dat in de hymnen van de lauden gewoonlijk geschiedt. Wij treffen hier een mooi staal van die religieuze natuurbeschouwing die ons door de liturgie menigmaal wordt geboden: een parallellismevan hemel en aarde, een verheerlijking van de schepping die een beeld is van de orde der genade. Christus, de goddelijke Logos , is de Heer van het heelal en de Kerk vindt de sporen van haar Bruidegom ook in deze aeon die wel om de zonde zucht in barensnood, maar de kiemen der glorie reeds in zich draagt om de verrezen Heiland. De dageraad is het uur van de wederkeer van het licht, de geboorte van de dag die „alle dingen hun kleur hergeeft” (lauden van de Woensdag). Er is geen schoner symbool denkbaar voor Christus, de „Zon des heils” , de „Dageraad uit den hoge” ( Lk.1, 78 ), in wiens menswording en gezegend lijden voor de in duisternis gezeten mensheid het heil is begonnen.

2. De Kerk bidt in deze weken dat de Zon des heils onze harten moge beschijnen en dat Jezus door zijn genade een ommekeer in ons teweeg mag brengen. Want wij moeten beseffen dat het nu de „goede tijd” is, tempus acceptabile , waarin wij ons door boete willen voorbereiden op de hoogfeesten van onze verlossing. Ons hart is de bron waaraan onze zonden ontsprongen; nu moet daar een heilzame tranenstroom opwellen. Bekering tot God blijft altijd noodzakelijk. Want elke keer dat wij ons in zelfzucht hebben gehecht aan tijdelijke dingen buiten de door God gestelde orde, moeten wij, om zuiver voor Hem te staan, ons losmaken van dit aardse en ons wenden tot Hem. Bekering is altijd zaak van ’s harten „diepste grond” , niet van de periferie. Wij moeten God ons hart laten raken zoals Mozes met zijn staf de dorre rots doorbrak. Wanneer het door boete is gezuiverd, kan het vuur der liefde het verteren. In het lijden der onthechting kunnen wij het God aanbieden als „liefdes offerand” .

3. De laatste strofe bevat in de eerste twee regels een kosmisch visioen van godsaanbidding dat slechts in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde volkomen werkelijk zal worden. Maar het paasfeest der verlossing waarnaar wij vol heimwee uitzien zal ons toch een geestelijke vernieuwing brengen die door de bloei der lente wordt gesymboliseerd en die zelf beeld en pand is van de hemelse wedergeboorte. Deze nieuwheid van genade ontvonkt in ons een andere en betere liefde, een zuiverder minne dan die welke ons thans bezielt. En aan deze liefde beantwoordt het „nieuwe lied” dat zal uitbreken in de paasjubel der Kerk en God loven in de gemeenschap der heiligen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *