De zorg voor de naaste

291. Vrijdag na de Twaalfde Zondag na Pinksteren

Stellen wij ons nogmaals de gelijkenis voor de geest van de barmhartige Samaritaan, die de Kerk ons in het evangelie van de Zondag voorhield.

1. Deze man die Jezus ons als het toonbeeld van de „naaste” voor ogen houdt, bevindt zich plotseling en geheel toevallig geplaatst voor de ellende van iemand die hem volkomen vreemd is, behalve dan dat hij met recht vermoeden kan dat de beroofde en mishandelde reiziger behoort tot het volk dat met de Samaritanen in onmin leeft. En let nu op hoe Jezus zijn reactie beschrijft: „Hij zag hem en kreeg medelijden met hem. En hij kwam dichterbij, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn lastdier en bracht hem naar een herberg waar hij hem verder verzorgde. Daags daarna (toen hijzelf dus noodzakelijk verder moest) gaf hij de waard twee tienlingen en zei: „Blijf voor hem zorgen en wat ge eventueel meer besteedt zal ik bij mijn terugkomst vergoeden” .”

Zie, wil Jezus zeggen, dat noem Ik naastenliefde: het spontane medelijden bij het zien van de ellende zonder zich af te vragen wie in nood is of wie nu strikt genomen tot hulp verplicht is, – en dan ook de daad, onmiddellijk en doeltreffend, praktischehulp met voorbijgaan van conventie en eigenbelang. Verheven beginselen worden er niet verkondigd, geen woorden zelfs gesproken dan alleen die welke nodig zijn voor het werk der liefde.

2. En wij herinneren ons ook wat in het verhaal aan dit toneel voorafging: de priester en de leviet die „zagen en verder gingen” . Jezus zegt het zo kort maar zo duidelijk mogelijk. Het waren Joden, mensen van hetzelfde volk, en het was geen achteloosheid die hen voorbij deed gaan, want zij hadden heel de hulpeloze ellende van de gewonde gezien. Toch gingen zij verder. En zou het toevallig zijn dat Jezus als ware vertegenwoordigers van zijn volk juist een priester en een leviet noemt, dat wil zeggen twee mensen die ambtshalve nog strenger tot naastenliefde verplicht waren dan de leken? Is het niet dikwijls zo dat zij die de godsdienst allereerst vertegenwoordigen, het gemakkelijkst motieven vinden om zich van hun plicht af te maken? Kennen zij niet vaak te veel gewicht toe aan allerlei bijkomstige overwegingen van gepastheid, gewoonte en van min of meer juridische of formele aard? Maar deze vermoorden niet zelden de spontane en werkdadige liefde voor de mens, voor elke mens, die God op onze weg voert. En deze liefde is het die Jezus vraagt.

3. Wij zien nu ook beter hoe wij de prachtige gedachte van de grote kardinaal, die wij gisteren overwogen, moeten verstaan. Voor elke mens, zegt Newman , bestaan er eigenlijk slechts twee wezens, hijzelf en God. En dit is volkomen waar; wij staan in eenzaamheid tegenover God alleen en deze eenzaamheid wordt slechts opgeheven in de hemel, waar de volmaakte gemeenschap der heiligen het alleen zijn met God niet belet, want daar zal „God alles in allen zijn” . Maar de menswording van Christus heeft ons toch geleerd dat de stoffelijke wereld, en bovenal de evenmens, niet enkel bestaat als zinnebeeld van de onzichtbare, doch ook als beweegreden en voorwerp der liefde. Christus in het vlees verschenen, is ons hierin voorgegaan. Hij die de gebogenen oprichtte, het geknakte riet niet brak en het lijdende vlees genas. De volmaakte eenheid der zielen is op aarde niet mogelijk, maar wel is mogelijk de zorg der liefde voor lichamelijke en geestelijke ellende. Deze blijft tot de laatste dag het beslissende kenmerk van de christen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee