Duivelse besmetting

323. Dinsdag na de Zeventiende Zondag na Pinksteren

„Geef, Heer, uw volk dat het duivelse besmetting vermijdt en met zuivere geest streeft naar U, God, alleen” (oratie van de Zondag).

1. Gods volk zijn wij, de uitverkorenen en geliefden, de geroepenen tot het christendom in Christus’ lichaam, de Kerk. Het volk des Heren zijn wij bovenal wanneer wij in heilige gemeenschap Christus’ offer vieren en deelhebben aan zijn lichaam en zijn bloed. De Kerk bidt dat dit volk Gods gevrijwaard moge blijven voor „duivelse besmetting” , dat het eeuwige leven in ons niet wordt aangetast door infectie van de satan. Dan eerst kunnen wij God zoeken met zuiver hart.

Wij vinden wellicht dat die term wat al te dramatisch klinkt; of wij menen dat zulke woorden alleen van toepassing zijn op zware zonden. Maar het beeld voortzettend kunnen wij zeggen dat in uiterlijk zondige daden de innerlijk verborgen gebleven besmetting uitbreekt, doch de infectie was reeds aanwezig en werkzaam in begeerlijkheid en neigingen van zelfzucht en hoogmoed. Hoogmoed is de duivelse bacil die sinds de zonde van de eerste mens ons aller geestelijk organisme bedreigt en die alleen door christelijke nederigheid onschadelijk wordt gemaakt, — en nederigheid wordt alleen geboren uit een verbrijzelde en verpulverde trots.

Het eeuwige leven dat God ons schonk is op zichzelf beschouwd van een loutere volkomenheid. Zoals bij alles wat schoon en verheven is: de geringste vlek ontsiert. Het bederf van de beste is het ergst. Wij denken al te licht over ons egoïsme dat het goddelijke in ons aantast, – of liever, wij denken daar meestal helemaal niet aan. Als wij onszelf kenden en als wij God zouden kennen, zouden wij met ontzetting vluchten al wat naar de zonde zweemt en de zegepraal van het rijk Gods in de weg staat, in ons en in de anderen.

2. Hoogmoed is de satanische besmetting bij uitstek, de gehechtheid aan de eigen wil, de bewuste en meestal onbewuste zucht naar autonomie. Wie de kortste weg naar God wil gaan, moet zijn trots vernederen en breken. In tijdelijke ondernemingen die ons na aan het hart liggen zijn wij doelbewust en „efficiënt” genoeg. In het geestelijke blijven wij halfslachtig aarzelen. Toch weten wij bij enig nadenken over Jezus’ leer in de evangeliën en de voorbeelden der heiligen zeer goed dat versterving onontbeerlijk en van alle versterving die van de wil het noodzakelijkst is; niet om het willen te doden, maar om het vrij te maken en zuiver op God te kunnen richten.

„U alleen zoeken met zuivere geest” : daarnaar snakt elk oprecht christenhart. Er zijn gelukkige ogenblikken, wanneer wij in het gebed er in slagen onze geest tot rust te brengen of bij de tedere omhelzing van Christus in de communie, dat wij menen mogen „Hem zuiver te zoeken en Hem alléén te zoeken” . Doch het gaat er om deze ogenblikken te vermeerderen en ze met elkaar te verbinden tot een eenheid van voortdurend gebed die nauwelijks meer onderbroken wordt. Daarvoor is nodig de geest van gebed in de uren dat wij niet „ex professo” bidden, als de essentie van gebed die blijft in het diepst van onze geest, ook dan wanneer wij met volle activiteit ons geven aan onze plichten en bezigheden. „Ik sluimerde, maar mijn hart was wakker. Daar hoorde ik mijn Beminde kloppen” ( Cant.5, 2 ). En deze geest van gebed (geheim verbond waardoor Jezus ons teder gebonden houdt) is wederom onbestaanbaar zonder de krachtdadige strijd tegen alle „duivelse besmetting” , dat is dus, zonder de voortdurende versterving van onze hoogmoed en onze zelfzucht. Die deur waardoor de duivel binnentreedt moet hermetisch dicht en geopend de poort van nederig godsverlangen, van vredig zich geven aan een wil die niets dan liefde en almacht is.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee