Een leven dat vruchten draagt

371. Maandag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In de oratie van de Zondag bidden wij dat „wij de vrucht van het goddelijk werk ( opus divinum ) met grote toewijding mogen uitvoeren” . In het epistel wenst Sint Paulus ons toe dat wij „vrucht dragen in allerlei goede werken en toenemen in de rechte kennis van God” ( Kol.1, 10 ).

1. Aan het einde van het kerkelijk jaar gekomen vragen wij ons bijna onwillekeurig af: was het goed en vruchtbaar, was het ten minste dragelijk? Onderzoeken wij onszelf eerlijk, voor het aanschijn van God. Velen in de wereld zijn tevreden, als zij leven van dag tot dag, als zij het hoofd boven water houden, zoals men dat noemt. Zij denken liefst niet na over de dingen die daarachter liggen. Zij kennen de zin van het bestaan niet, omdat zij niet geloven. (Hoe moeilijk en hoe hopeloos leven zij dikwijls en hoezeer werden wij bevoorrecht! Wij moeten dit altijd opnieuw bedenken.) Ons leven heeft de zin die God er aan gaf en die wij kennen door het geloof. Maar het moet ook vruchten dragen door onze edelmoedigheid. De goddelijke zin van ons bestaan, God eer te geven, zelf gelukkig te worden en anderen te helpen, wordt niet vervuld, als wij het niet vruchtbaar maken en rijk in goede werken. Wij behoeven ons niet af te vragen, zoals talloos velen, of het leven wel betekenis heeft. Maar wij dragen de grote verantwoordelijkheid van de gaven van God die ons werden geschonken: door zijn genade (maar deze staat altijd voor ons gereed) en onze inspanning moeten wij vruchtbaar worden en moeten wij de zin van ons leven waar maken. Hoe kunnen wij toch zo achteloos zijn en zo traag? „Bekeer onze harten tot U” (offergebed).

2. Maar de vruchten van ons leven zijn dikwijls, misschien wel altijd, verborgen voor ons oog. Wij gelijken mensen die in het donker werken en zelf niet zien wat zij bereiken. God vraagt van zijn geliefden altijd en vóór alles: geloof. Wij moeten geloven dat ons leven, door zijn genade, zin heeft en vruchtbaar is, ook al mislukken onze liefste plannen, al schijnen onze dierbaren af te dwalen van de weg van God, al lijkt het dat wij zelf, meer nog dan de anderen, machteloos zijn en naakt en arm voor Gods oog.

En daarom bidt de apostel niet enkel dat wij vruchten dragen van goede werken, maar ook dat wij „toenemen mogen in de rechte kennis van God” .

Als wij aan het einde van dit jaar (en aan het eind van ons leven) onszelf met ledige handen zien staan voor God, met gebroken voornemens en onvervulde idealen, maar wij weten, diep in ons hart, dat wij beter denken over God, dat wij Hem beter leerden kennen, dan is die tijd niet verloren geweest. Dan is ons leven niet mislukt. Want dit is de zin van ons bestaan en de kostbaarste vrucht van Gods genade, dat wij Hem een weinig leren kennen zoals Hij is, onuitsprekelijke verhevenheid en liefde zonder grond. Deze vrucht wil Hij oogsten op de bodem van onze ziel: kennis van God die tegelijk liefde is en die slechts verworven wordt ten koste van bloed en tranen.

„Offer voor God is een vermorzelde geest,
een gebroken en vernederd hart zult Gij, o
God, niet versmaden”
( Ps.50, 19 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee