Elkanders lasten dragen

311. Donderdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag spoort de apostel ons aan tot edelmoedigheid jegens allen, tot een geesteshouding en een praktijk die zich niet afsluiten voor de noden van onze medemensen en die zich niet hoogmoedig van de zondaar afkeren. „Laten wij edelmoedig handelen ten opzichte van allen zolang wij daartoe in de gelegenheid zijn, vooral jegens hen die met ons één gezin vormen in het geloof” ( Gal.6, 10 ). Te voren reeds had Sint Paulus bepaalde vromen onder zijn lezers vermaand zich niet te verhovaardigen over de fouten der zwakke broeders, maar veeleer hen te helpen en te bedenken dat ook zijzelf ten val konden komen. „Draagt elkanders lasten; zo zult gij Christus’ wet vervullen” ( Gal.6, 2 ).

1. De mensheid van tegenwoordig verdraagt minder dan ooit vromen (al dan niet officiële), „geestelijke mensen” zoals de apostel hen hier noemt, die zich hoogmoedig en zelfvoldaan afzonderen van de massa. En zelfs zij die zonder bewuste zelfverheffing angstvallig vasthouden aan heilige huisjes, ivoren torens, schotjes en hekjes tussen vromen en zondaars, katholieken en niet-katholieken, geestelijken en leken en zo verder, zullen bemerken dat hun invloed ten goede zeer gering zal blijven. Of misschien zullen zij het niet merken maar het zal toch zo zijn. Wat de mens van tegenwoordig vraagt is de christen die „open” is, begrijpend voor iedereen, beschikbaar , die het menselijke erkent en waardeert dat ons allen verbindt. De wereld zal een christen die begint met wat de mensen scheidt niet accepteren. Het christelijke is niet meer het vanzelfsprekende en door allen geachte. Men kan dit betreuren, het is niettemin een feit. De katholiek van vandaag en morgen zal een mens moeten zijn die leeft van God en die tegelijk midden in de wereld staat, een die zichzelf mens weet en niet beter dan wie ook, die er zich altijd van bewust blijft dat zijn christen zijn genade is en roeping, een om niet ontvangen gave en een taak, die beseft dat dit door God geroepen en uitverkoren zijn een geestelijke waarde is en anders niets, dat het niets te maken heeft met stand of geld of kennis.

2. Alleen als de christen zo denkt, zal hij de anderen niet verachten en in staat zijn behalve zijn eigen last ook die van anderen te dragen. Alleen dan zullen de anderen genegen zijn hun last op hem af te wentelen. Slechts wanneer hij zijn christelijke rijkdom los ziet van alle tijdelijke waarden en aardse belangen, zal hij hem zuiver kunnen tonen aan de ontkerstende wereld en zijn goddelijke Meester navolgen. Want Jezus schroomde niet om te gaan met zondaars en hun zelfs voorkeur te betonen. Hij hield zich niet als vele Joden afzijdig van de heidenen en de Samaritanen. Hij trotseerde in het gesprek met de Samaritaanse vrouw de conventies van zijn tijd omwille van het rijk Gods. Hij ging tot allen en bewees allen zijn liefde. Hij trok zich niet als Johannes de Doper terug in de woestijn en in de afzondering van een ascetische levenswijze. Hij was voor allen beschikbaar zodat Hij dikwijls geen tijd had om te eten. Hij verkondigde onvermoeid de boodschap van zijn Vader in een taal die de mensen verstonden. Hij had medelijden met alle kwalen.

3. In navolging van Christus moeten wij, — ieder in zijn eigen verhoudingen en binnen de grenzen van zijn levensstaat en plichten, maar met een geest en een hart die wijd zijn als de wereld en het lijden van de wereld — de onmetelijk zware last helpen dragen van zonde en ellende, en edelmoedig „het goede doen” voor allen zonder uitzondering. Het is onmogelijk de wereld tot Christus te bekeren zonder deze goedheid, zonder deze geestelijke openheid, die de vrijheid van de Meester nabijkomt. De christen moet tot de wereld gaan zonder een zweem van eigendunk, een armzalig mens als alle anderen, met als enig wapen en enig bezit de goedheid die komt van God, met God zelf.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)