Erfgenamen van God

 

260. Dinsdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Indien wij kinderen zijn, zijn wij ook erfgenamen, erven van God, delend in de erfenis van Christus” ( Rom.8, 17 ; epistel van de Zondag).

De apostel redeneert hier, zoals hij gaarne doet, vanuit de instellingen van het menselijke leven om bovennatuurlijke werkelijkheden te verduidelijken. Kinderen zijn de van nature aangewezen erfgenamen van hun ouders. Als het dus waar is, dat wij door het doopsel en de Geest kinderen Gods zijn geworden, dan hebben wij ook een heerlijk erfdeel te verwachten, een goddelijke erfenis, die Christus, de eerstgeborene onder vele broeders, door zijn bloed heeft verworven. En in het vervolg van dit allerschoonste achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen beschrijft Paulus de glorie die ons wacht, „indien wij tenminste ook delen willen in Christus’ lijden” .

1. Wij kunnen de vergelijking veilig doorzetten. Aardse erfgenamen getroosten zich gaarne offers om de buit van een rijke erfenis deelachtig te worden. Zij leven in gespannen verwachting en verachten kleine winsten die anderen zich moeizaam verwerven. Indien wij de hemelse glorie werkelijk beschouwden als het ons toekomende „deel der heiligen in het licht” ( Kol.1, 12 ), indien wij werkelijk wisten „welke hoop Gods roeping wekt” ( Eph.1, 18 ) in oprechte harten, zou dan niet onze hele levenshouding anders worden? Zou dan niet met name onze waardering van de aardse goederen een grondige wijziging ondergaan? Gedragen zij die zich druk maken om geldelijk verlies of gewin, die tijdelijke tegenslag van welke aard ook nog als een ramp duchten, zich als erfgenamen Gods? Hoe verschillend waren de taal en de gevoelens van de grote apostel: „Alles wat voor mij winst betekende, heb ik om Christus’ wil schade geacht … Om zijnentwil heb ik alles prijsgegeven en ik beschouw het als afval, opdat ik Christus moge winnen” ( Phil.3, 7. 8 ). En wat Paulus met vreugde versmaadde om reeds op aarde zo innig mogelijk met Christus verenigd te zijn, was niet een som gelds of wat vluchtig genot, maar de eer en achting van zijn volksgenoten en zijn hele verleden. Het geloof had een radicale verschuiving teweeggebracht in zijn waardebepalingen.

2. Zij die op een gulle erfenis rekenen, leven in blijde hoop. Dit is de positieve kant. Moeten wij als erfgenamen Gods de geschapen goederen vergeleken bij de hemelse minachten in de zin van minder achten (maar dan ook oneindig minder achten), een vreugdevolle verwachting moet ook als positieve levenskracht onze ziel vervullen. „Verblijdt u in de Heer te allen tijde. Nogmaals verblijdt u … De Heer is nabij” ( Phil.4, 4-6 ). Deze hoop verleent zekerheid aan ons leven en sterkte om geduldig te volharden.

3. De Heef geeft ons een voorsmaak van de hemelse erfenis in het offer der mis en het gastmaal der heilige communie. Welk een geestelijke vreugde voor hem die gelooft wordt ons geschonken in het prille morgenuur van elke dag die God ons geeft! Pignus futurae gloriae : het onderpand der toekomstige heerlijkheid. Laat de wereld lachen om dit onbegrepen geheim, laat de lauwe christen achteloos aan Gods gave voorbijgaan, het vurige christenhart rent naar dit manna en proeft de vrucht des levens dag aan dag. „Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de boom des levens, die staat in Gods paradijs” ( Openb.2, 7 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)