Gebed en dank in nood

310. Woensdag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Vol verwachting zag ik uit naar de Heer. Hij heeft mij aangezien en mijn smeken verhoord. Hij legde mij een nieuw lied in de mond, een lofzang op onze God” ( Ps.39, 2-4 ; offertorium van de Zondag).

Het moge op het eerste oog lijken dat wij gemakkelijker kunnen mediteren over de concrete woorden en daden des Heren in het evangelie dan over de wat vage psalmverzen die zo veelvuldig in de gezangen der liturgie zijn getoonzet. Er gaat voorzeker niets boven de evangeliën, die „eerstelingen der Schrift” ( Origines ). Maar wie, met de Kerk meebiddend en zingend, in de geest der psalmen weet door te dringen, zal daar niet zelden de innerlijkste gevoelens van zijn gekwelde en naar God verzuchtende ziel uitgedrukt vinden, eenvoudig, diep en waarachtig.

1. „Vol verwachting zag ik uit naar de Heer.” Hoe zuiver is in deze weinige woorden de toestand weergegeven van de ziel die zichzelf begint te kennen en God; die er zich van bewust werd dat zij niets en God alles is. „Moge ik U kennen, moge ik mijzelf kennen” ( Sint Augustinus ). Moge ik weten, Heer, en ervaren, hoe waar uw woord is: „Zonder Mij kunt gij niets” , — en moge ik tegelijkertijd weten en ervaren en er immer dieper van overtuigd raken, met hoeveel recht uw geliefde apostel Paulus hieraan als het ware mocht toevoegen: „Ik kan alles in Hem die mij versterkt.”

„Vol verwachting zie ik uit naar de Heer.” Zo bidden wij in deze staat van het aardse leven; zo bidden wij vooral, wanneer onze zwakheid en onze zonde, wanneer nood en lijden ons machteloos maken, als moedeloosheid onze ziel overvalt. Met smachtend verlangen zien wij uit naar God, ons enig heil, nederig erkennend dat wij niets zijn en niets vermogen, vertrouwvol verwachtend dat Hij ons redden zal.

2. „Hij zag mij aan en verhoorde mij.” God verhoort ons en versmaadt onze geringheid niet. Gij behoeft ons slechts aan te zien, Heer. O, wend uw blik, die genade en leven is, niet van ons af. „Jezus, zie ons aan die wankelen, en richt ons op door uw blik. Als Gij ons aanziet, valt alle schuld van ons af” (hymne zondagslauden, herfst). En mogen wijzelf niet ophouden U aan te zien in de geest van geloof en inwendig gebed; mogen wij bidden zoals die boer, van wie de Pastoor van Ars verhaalt: „Ik denk aan Hem en Hij denkt aan mij” , — mogen wij volgens het woord van de ( zalige Jan Ruusbroec ) „U in innige liefde louter aanhangen” .

Dan lééft onze ziel, ook al verkeert zij in druk en duister. Dan zal in droefheid en ellende toch het „nieuwe lied” opwellen in ons hart, „de lofzang tot onze God” , ons door U op de lippen gelegd, door uw Geest die woont in ons en voor ons smeekt „met onuitsprekelijke verzuchtingen” . Wij willen niet enkel uw welbehagen aanvaarden, Vader; wij willen U lof zingen, uw barmhartigheid prijzen in eeuwigheid. Zou niet de lof van de ziel, die U dankt in de duisternis van het geloof, U even aangenaam zijn als de hemelse zang der engelenkoren?

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)