Gebed om liefde

21. Quatertemperzaterdag van de Advent

Wanneer de Kerk in het evangelie van heden ( Lk. 3, 1-6 ) ons de Doper voor ogen stelt, roepend in de wildernis: „Bereidt de weg des Heren” , dan rijst voor ons de Voorloper op van het regime der liefde. Zelf is hij nog de heraut der gerechtigheid, want al werd er onder de kinderen der mensen geen grotere geboren, de geringste in het Rijk der hemelen overtreft hem. De bijl ligt aan de wortel en de wan is in de hand van de Sterke om genadeloos de dorsvloer te zuiveren: zo ziet hij de komst des Heren, oud-testamentisch en groots. Maar hij weet dat die Andere oneindig groter is dan hijzelf, al weet hij nog niet waarin die grootheid zich zal uiten en al zal hij aanvankelijk die superioriteit van liefde en kruis niet begrijpen. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert.”

Het Kind in de kribbe is in zijn zwakke menselijkheid de incarnatie der goddelijke liefde. Vóór het kaf wordt verbrand met onuitblusbaar vuur, „zal alle vlees Gods heil aanschouwen” (evangelie).

2.Maar wij hebben de liefde ontkracht door haar zoetelijk te maken en klein. Wij menen de liefde te kunnen losmaken van de gestrengheid van de Boetgezant. Wij menen dat onze ongezuiverde harten in staat zijn God te beminnen gelijk het behoort. Maar ook voor ons weerklinkt de roep: „Maak recht de paden des Heren. Alle kloof moet gevuld en alle berg en heuvel geslecht worden.” Ook tot ons wordt de kreet gericht die aan Gods komst voorafgaat, door Jezus en de Doper gelijkelijk aangeheven: „Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij” . Het kerstfeest moet ons beter maken, anders dan wij zijn, want dit is: boete en bekering ( metanoia ).

3. De Kerk bidt: „God die ons door geheimen en geboden herschept naar uw beeld, richt onze schreden op uwe paden, opdat wij door het offer dat wij opdragen, de gave der liefde waarop Gij ons liet hopen, waarlijk ontvangen mogen” . De herscheppende geheimen zijn de mysteriën van het misoffer dat het gehele werk der verlossing in zich samenvat en voortzet. De geboden zijn die van Jezus’ evangelie: dat van de liefde tot God boven alles, het nieuwe gebod van de naastenliefde, dat van de zelfverloochening en het kruis.

Dáárdoor worden wij herschapen naar Gods beeld, wat het grote doel is van zijn werk met ons. De liefde moet werkzaam zijn boven alles uit, zij moet ons veranderen, ons doen groeien in de gelijkenis Gods die niets anders is dan de gelijkvormigheid met de gekruisigde en verheerlijkte Zaligmaker op de grondslag van het beeld Gods, dat ons als mensen werd ingeschapen. „Want die Hij te voren gekend heeft, heeft Hij ook te voren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” ( Rom. 8, 29 ).

De liefde is een gave die wij van God afsmeken en tegelijkertijd is de herschepping naar Gods beeld het resultaat van een inspanning waartoe zijn genade ons de kracht schenkt. Het geloof en de liefde plaatsen ons in de werkelijkheid Gods. Zij zijn als de geestelijke vermogens waardoor wij contact krijgen met die bovennatuurlijke realiteit die ons ware en blijvende tehuis is. Maar dan begrijpen wij ook dat deze liefde geen kwestie van gevoeligheid alleen is, maar een geestelijke kracht die ons aangrijpt en van binnen uit hervormt, die onze schreden richt op de weg der volle werkelijkheid.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *