Geboden liefhebben

182. Maandag na de Vierde Zondag na Pasen

„God, die uw gelovigen eensgezind en gelijkgestemd maakt, geef uw volk te beminnen wat Gij gebiedt, te verlangen wat Gij belooft, opdat te midden van de wisselvalligheden van deze wereld onze harten dáár gevestigd blijven waar de echte vreugden zijn” (oratie van de Zondag).

1. Er liggen in dit kernachtig gebed, geheel gesteld in de klassieke stijl der Romeinse liturgie, vele gedachten besloten. Een eerste, zó vanzelfsprekend voor de ware christelijke mentaliteit dat ze bijna stilzwijgend wordt verondersteld, is uitgedrukt in het éne woordje „geef” . De Kerk, Moeder van levenden, zelf levend uit de Geest des Heren, blijft zich immer diep bewust van de waarheid van Jezus’ woord: „Zonder Mij kunt gij niets” ( Joh. 15, 5 ). „Als de Heer het huis niet bouwt” ( Ps. 126, 1 ) van geheel ons geestelijk leven, is al ons zwoegen vergeefs.

Wanneer niet uit de ware Wijnstok de levenssappen ons toevloeien, zijn wij dorre ranken, onvruchtbaar, het vuur gewijd. Van Hem alleen komt ons heil, maar van Hem die is leven en verrijzenis, weg en waarheid stroomt dan ook alle heil, volheid van leven, „stromen van levend water” : „Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden bezitten, leven in overvloed” ( Joh. 10, 10 ). En daarom bidt de Kerk (en wij vertrouwvol met en in haar) tot de verheerlijkte Christus van het paasmysterie om twee grote genaden: een liefde en een verlangen.

2. „Geef uw volk te beminnen wat Gij gebiedt” : uw geboden te beminnen. Zo sterk moet onze liefde zijn, Heer, dat zij er ons toe brengt geboden lief te hebben. Dit klinkt paradoxaal. Men begint een persoon. Geboden bemint wel nauwelijks iemand: men draagt ze, en rechtvaardigen vervullen en onderhouden de wet, maar wie koestert liefde voor een wet, voor verordeningen? Toch wordt de Kerk door uw Geest geleid, als zij ons bidden laat om liefde voor wat Gij gebiedt, als zij ons bidden laat om liefde voor wat Gij gebiedt. Gij zelf, Heer hebt van de onderhouding uwer geboden de toetssteen gemaakt der liefde: „Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, hij is het die Mij bemint” ( Joh. 14, 21 ). Wie U liefheeft, heeft uw wil lief. En uw gebeden zijn ook niet als de geboden der mensen. De geboden der mensen ontspringen zelden aan de liefde en zij worden niet ingegeven door de sterke en zuivere Geest, die de uwe is. De geboden der mensen komen, wanneer zij niet het verlengstuk zijn van uw wil en uw liefde, van buiten af, als een dwang, als een regel, — maar uw gebod, Jezus, wat is het anders dan liefde voor God en liefde voor de naaste om uwentwil: goddelijke liefde ontsproten aan goddelijke Geest? Voor de ware christen is uw gebod geen dwang, geen uitwendige regel, maar een innerlijke wet, een wezensdrang van christelijk zijn en leven. „Als gij U door de Geest laat leiden, staat gij niet onder de Wet” ( Gal. 5, 18 ). Liefde komt van binnen uit, zij kan niet worden „opgelegd” . Maar uw geboden, o Liefde, beantwoorden aan ons diepste christelijk zijn. Uw Geest maakt ons in de volle zin gelijkvormig aan uw wil waarvan uw geboden de volmaakte uitdrukking zijn. En zo bidden wij naar waarheid: „doe ons beminnen wat Gij gebiedt” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *