Geestelijke melaatsheid

62. Derde Zondag na Driekoningen

„Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen” , bad de melaatse van het evangelie, en Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en „aanstonds werd hij van zijn melaatsheid gereinigd” ( Mt. 8, 13 ).

Wij kunnen dit verhaal toepassen op onze geestelijke melaatsheid, de zonde, en haar genezing door Christus. Dit heeft niets te maken met vlucht uit de werkelijkheid, haat van het leven of ontkenning van de natuurlijke harmonie van het bestaan. Die harmonie is al lang verstoord en kan alleen in Christus worden hersteld. Het gaat er slechts om dit stuk realiteit ten volle te erkennen. Tegenover God zijn wij allen „fout” . Wij vergelijken ons het liefst met mensen die zondiger schijnen dan wij of althans in een bepaald punt onze minderen lijken. Maar wij moesten onszelf kunnen zien in het verblindende licht en het verterende vuur van God. „Is er een mens rechtvaardig voor God, een mensenkind rein voor zijn Schepper? Zie, zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken” ( Job 4, 18 ). De Kerk laat haar priesters onder de mis bidden: „Aanvaard, heilige Vader, almachtige eeuwige God, deze onbevlekte offerande die ik, uw onwaardige dienaar, U, mijn levende en waarachtige God, opdraag voor mijn talloze zonden, fouten en nalatigheden” .

Wie meent zonder zonden te zijn, is een naïeveling die alle zelfkennis mist, of de zichzelf en anderen misleidende leugenaar waarvan Sint Jan spreekt ( 1. Joh. 1, 8 ). Naarmate men vordert in het geestelijke leven, wordt men zich zijn zondigheid dieper en smartelijker bewust. Niet omdat men meer zondigt dan anderen (waarschijnlijk minder), maar omdat men God begint te naderen. Pas wanneer wij trachten God werkelijk te beminnen, ontdekken wij onze ellende en onze onmacht. Slechts door die geestelijke vernedering heen kunnen wij tot Hem geraken. Misschien moeten wij zelfs zeggen: allen in die afgrond kunnen wij Hem vinden. „Zijn kracht komt in zwakheid tot haar recht” ( 2 Kor. 12, 9 ).

Laat ons voor God belijden onze zonden, onze onvolmaaktheden, onze geheel of half onzuivere beweegredenen, heel dat subtiele spel van ons egoïsme dat als het bederf van een geestelijke melaatsheid onze daden aanvreet en ze in Gods oog van hun glans berooft. Vernederen wij ons diep voor de goddelijke majesteit die ons duldt … en uitkiest en liefheeft. Hoe meer wij door zuiver geloof zijn liefde beseffen en ervaren, des te sterker groeit in ons het bewustzijn van onze ellende en nietigheid. Eerst in het volle licht zien wij hoe zwart zwart is. „Heer, ik ben niet waardig.”

2. Maar wij mogen nooit de moed verliezen. „Men moet er zich niet over verwonderen noch verontrusten dat de zwakke zwak, de zieke ziek en de ellende ellendig is” ( Sint Franciscus van Sales ). Wij worden gedragen door het geloof dat de Heer ons reinigen kan en wil, zo wij slechts op Hem blijven vertrouwen. Wij worden gereinigd in de mate waarin wij met Christus in contact treden en één worden met Hem, zoals de melaatse van het evangelie door aanraking werd gezuiverd. „Zalig zij die hun klederen gewassen hebben in het Bloed van het Lam” ( Openb. 22, 14 ). In elke mis willen wij ons vernederen, ons op de borst kloppen bij het „confiteor” en God onze overgrote onwaardigheid belijden bij het „Domine non sum dignus” , — en elke communie schenkt ons de innigste vereniging met Christus die ons reinigt. „Ziel van Christus, heilig mij. Lichaam van Christus, red mij. Bloed van Christus, bedwelm mij.” Door de schepping zijn wij Gods beeld. Door de zonde werd zijn glans verduisterd. Door Christus en in Christus wordt het heerlijker hersteld.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *