Geestelijke moeheid

308. Maandag na de Vijftiende Zondag na Pinksteren

„Laten wij niet ophouden het goede te doen; want zo wij niet verslappen, zullen wij te zijner tijd oogsten” ( Gal.6, 9 ; epistel van de Zondag).

1. „Wordt niet moede het goede te volbrengen.” Wie met volharding en edelmoedigheid naar de volmaaktheid der goddelijke liefde wil streven moet zich een harde en aanhoudende geestelijke inspanning getroosten. Hij moet de Heer het kruis nadragen, hij moet zijn zelfzucht versterven; en dat niet enkele dagen, maar altijd door, jaar in jaar uit. Is het wonder dat zelfs een bevoorrechte ziel kon schrijven: „De natuur is het somtijds hard moe” ( Marie-Antoinette de Geuser )? En wie die ooit eerlijk naar de vereniging met God en zijn heilige wil heeft gestreefd, ondervond niet bij tijden (en wellicht lange tijd) een intense loomheid en lauwheid, een walg bijna van het geestelijke, ongevoeligheid en dofheid voor het bovennatuurlijke? er zijn twee soorten van moeheid: vooreerst de gewone lichamelijke die ons tijdens het gebed in slaap doet vallen. Deze is geen probleem; wij moeten het lichaam de rust gunnen waarop het recht heeft. Maar daarnaast is er de veel erger geestelijke moeheid, die ons de energie en de lust in het goede ontneemt en die zeer dicht kan liggen bij de in het geestelijk leven zo fatale moedeloosheid. De apostel die de zwakheid der natuur, de ups en downs van ons gevoelsleven kende, spoort ons heden aan: „Wordt niet moede te doen wat goed is” .

Er bestaat slechts één manier om de geestelijke vermoeienis te overwinnen: een leven dat door de liefde wordt bezield. „Wie bemint, wordt niet moede of althans, hij voelt geen vermoeienis” ( Navolging van Christus ). Liefde kan altijd nog meer dan zij doet. Zij weet van geen inspanning of overspanning. Alles wordt moe in ons behalve de liefde. „Doorboor, allerliefste Heer Jezus, de innerlijkste kern van mijn ziel met de zoete en heilzame wonde van uw liefde, met de ware, ongestoorde, apostolische en allerheiligste minne, opdat mijn ziel immerdoor moge versmachten en versmelten van liefde en verlangen naar U alléén” ( gebed van Sint Bonaventura na de mis ).

2. „Verslappen wij niet, dan zullen wij te zijner tijd oogsten.” Er is ook een dubbele oogst: de grote op het eind van ons leven en op het eind der tijden, waaraan de apostel allereerst denkt, het zijn bij Christus, de zalige aanschouwing, het volmaakte geluk naar ziel en lichaam. Dat is de kostbare vrucht die door het lijden om Christus’ wil geoogst wordt. Een zuiver aards gerichte inspanning loopt op niets uit dan vergankelijkheid: „wie zaait in het vlees, zal verderf oogsten uit het vlees; maar wie zaait in de geest, zal eeuwig leven oogsten uit de geest” ( Gal.6, 8 ; epistel). „De tijdelijke, lichte verdrukking verwerft een onovertroffen eeuwig gewicht van heerlijkheid.” ( 2 Kor.4, 17 ). „Uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden” ( Mt.6, 4 ).

Maar de trouwe en edelmoedige ziel verwerft voor haar onverdroten moeite reeds een eerste oogst op aarde, voorsmaak van de hemelse. Zij zal ondanks alles en juist in en door het christelijke lijden proeven hoe zoet de Heer is, geestelijke vrijheid verkrijgen en de innerlijke vrede die God alleen kan geven.

Heilige Moeder Gods, schenk ons de genade zonder geestelijke moeheid en vrij van moedeloosheid op Jezus’ kruisweg voort te gaan.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)