Gehoorzaamheid en genade

36. Besnijdenis des Heren, Octaaf van Kerstmis 1 Januari

Het geheim dat wij heden vieren moeten wij zien als geheel liggende in de lijn der menswording, als een eerste consequentie van dat „staan onder de wet” waarover het epistel van de vorige Zondag sprak. Op de achtste dag na de geboorte (de octaafdag van het eerste kerstfeest) werd het Kind Jezus besneden, zoals alle Joodse knaapjes van rechtgelovige ouders. De eigenaardige ritus der besnijdenis, die voor de heidenen voorwerp was van afschuw en spot, was voor de Jood een door God opgelegd symbool van de aanvaarding der wet en de opname in zijn volk, van toebehoren aan de enige Heer en Meester van het heelal.

1. Ook Jezus gaat vanaf het begin die weg der gehoorzaamheid aan Gods wet, als zijn dienaar en eigendom, ofschoon Hij naar zijn diepste wezen het godgelijk bestaan zijn eigen mocht noemen. Het is dezelfde gehoorzaamheid aan de goddelijke wil, die Hem om het doopsel van Johannes zal doen vragen: „Laat het voor ditmaal geschieden, want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen” ( Mt. 3, 15 ), welke Hem de bekoringen van de satan souverein doet afwijzen (die geen andere bedoeling hadden dan Hem te verwijderen van de door God gewilde kruisweg) en die Hem ten slotte aan het ons verlossende kruis zal slaan.

Het goddelijke Woord werd niet mens in het algemeen maar een bepaalde mens, onderworpen aan de onontkoombare beperktheid van een menselijk bestaan, lid van dat kleine en verachte volk, geboren in de tijd door God bestemd, staande onder de wet de Heren. De besnijdenis vormt het onopvallende begin van een leven, dat geen andere geestelijke spijze zal kennen dan de wil des Vaders.

Het eerste Bloed van het Lam wordt geplengd, in onbekendheid, in een vergeten uithoek van de wereld. Het is het Bloed dat die wereld verlossen zal.

2. De teksten van de mis zijn grotendeels gelijk aan die van de dagmis van kerstmis. Het is de gewoonte der liturgie het feestmysterie tijdens het heel octaaf in voortdurende tegenwoordigheid voor de geest te houden. „Een Kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken,” zingen wij heden met niet geringere jubel dan op kerstdag. Deze aanwezigheid, aan de wisseling van de tijd ontheven, volgt de goddelijke onveranderlijkheid na. Het Kind werd éénmaal in Bethlehem geboren, lang geleden. Jezus was de gave des Vaders aan de mensheid, zijn alles omvattende en alles insluitende genade. „Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven” ( Joh. 3, 16 ). Maar Jezus blijft gegeven aan de mensheid, Hij die het Licht en het Leven is blijft zich aanbieden aan de wereld die duisternis is. „Want onberouwelijk zijn de genade en de roeping Gods” ( Rom. 11, 29 ).

Mocht slechts de wereld erkennen wat haar tot heil strekt om te putten „uit zijn volheid, genade op genade” ( Joh. 1, 16 ). Want al trekt God zijn genade, de gave van kerstmis, niet terug, al schenkt het Woord aan allen die in zijn naam geloven de macht kinderen Gods te worden, de mens bezit in zichzelf de macht zich af te sluiten voor Gods genade en zich op te sluiten in de verharding van een van God afgewende wil, die door de ijlings naderende dood verstart tot de verstening der hel. Kerstmis is het mysterie van de genade Gods die in het Kind van kerstmis „voor alle mensen tastbaar en bereikbaar is geworden” ( Tit. 2, 1 ; epistel). Maar genade wil zeggen: goddelijke aanbieding, vraag om het antwoord der menselijke vrijheid: geloof, overgave en liefde.

Daarom moet het kerstfeest en zijn octaaf voor ons, Gods geliefde geroepenen, het feest zijn van het antwoord der liefde, van de dankbare en volkomen aanvaarding van die hoogste gave die de verschenen Logos is, en tevens de tijd waarin de ernstige vraag naar de lotgevallen dier genade in de wereld ons meer nog dan anders ter harte gaat.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *