Geloof, hoop en liefde

87. Donderdag na de Zesde Zondag na Driekoningen

Het epistel van de vorige Zondag verdient onze bijzondere aandacht, omdat het zulk een fundamentele tekst is. Het vormt de aanzet van Pauluseerste brief aan de gelovigen van Thessalonica , waarschijnlijk het oudste geschrift van het christendom, zeker de oudste brief die wij van de Apostel bezitten. Hoe weldadig is voor onze gecompliceerde zielen een bad in deze stoere en sterkende woorden Gods! Ongetwijfeld heeft een traditie van twintig eeuwen het leven der Kerk verrijkt met wijsheid van ervaring, met schoonheid van vormen en heldere formuleringen van denken, — maar vergaat het ons niet somtijds als hun die door de bomen het bos niet meer zien? De uiterste verscheidenheid van praktijken en devoties kan schade betekenen voor de levende geest van het geheel. Hier, in dit epistel, proeven wij het prille christendom aan zijn bron, eenvoudig en helder. En toch, zijn niet alle wezenlijke waarden daar aanwezig? De goddelijke deugden, de grote kwelling mèt de vreugde van de Heilige Geest, de levende, waarachtige God, de triomfantelijke loop van het evangelie en de verlossing van de Heer Jezus, die zal verschijnen met de wolken om ons te ontrukken aan de komende Toorn.

Ja, ook de goddelijke deugden. Het is opvallend dat de oudste regels van het christendom aanstonds deze trits noemen, niet schools, maar als levende werkelijkheid. „Ik bid zonder ophouden voor u,” schrijft Paulus , „indachtig uw werkdadig geloof, uw zwoegende liefde en het uithouden van uw hoop op onze Heer Jezus Christus, voor het aanschijn van onze God en Vader” ( 1 Thess.1, 2. 3 ). En let nu op de keuze der toegevoegde bepalingen. Het geloof is werkdadig . Het is voor die oude tijden nooit iets wat alleen maar bestaat in een bloedloos, theoretisch aanvaarden van „waarheden” . Het is de van eerbied doorhuiverde intrede in een andere wereld, de toegang tot een nieuwe werkelijkheid, de werkelijkheid van God. Zo iets grijpt een mens aan en belet hem te volharden in oude zelfgenoegzaamheid. Zijn leven verandert door consequente weldadigheid. En de liefde is daarmee niet eens tevreden: werken is haar niet genoeg, zij zwoegt voor de Heer. Want het is de liefde eigen niet te rekenen, niet te behouden en zichzelf niet te ontzien. Zij kent geen rust dan de rust in God. En de hoop houdt uit . Paulus heeft een zwak voor deze deugd, die hij wellicht de deugd vindt die het meest karakteristiek is voor het christelijke bestaan op deze aarde. Ook haar ziet hij levend en reëel. Daarom spreekt hij van „uithouden” , dat wil zeggen van een toestand der ziel waarin het blijde hopen niet langer iets is dat vanzelf gaat, maar een moeizaam, een duister, een bijna vergeten volharden in trouw aan Gods woord en belofte. Komen wij ooit zo ver dat dit hopen tegen alle hoop in van ons wordt gevraagd? Ik vrees maar zelden, want deze louterende crisis veronderstelt dat wij ook eerst waarachtig hopen, dat is, dat wij ons hart en onze zinnen gezet hebben op het zalige zijn met Christus als het enige goed dat wij werkelijk begeren. En als Jezus ons enig verlangen is geworden, gaat Hij deze o zo trefbare gevoeligheid der ziel zuiveren en oneindig verdiepen, uitgraven en uitboren door zich te onttrekken aan onze al te gemakkelijke omhelzingen en onze geest te hullen in die duisternis waarin God is. Dan mag er sprake zijn van een uithouden van onze hoop voor het aanschijn van onze God en Vader.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)