Gij zijt mijn God

271. Zaterdag na de Negende Zondag na Pinksteren

„Jahweh, mijn God zijt Gij. U wil ik roemen en loven uw naam” ( Is.25, 1 ).

1. In de eenvoudigste bewoordingen staan dikwijls de diepste werkelijkheden uitgedrukt. Zo ook in die meermalen in het Oude Testament terugkerende uitspraak: Deus meus es tu , Gij zijt mijn God.” Hier is de verhouding van de mens tot God teruggebracht tot haar enkelvoudige formule; hier vinden wij de kern van elk gebed, ook van het meest verhevene. In deze woorden komt de persoonlijke betrekking tot uitdrukking tussen de twee eerste en laatste, onherleidbare realiteiten, God en de ziel. Wij moeten bij de beoefening van het inwendig gebed streven naar een steeds voortschrijdende vereenvoudiging, naar een geestelijke eenheid, niet enkel in deze zin dat het gebed ons met God moet verenigen, maar ook zo, dat in onze geest veelheid plaats maakt voor eenheid, gecompliceerdheid voor eenvoud, afwisseling voor rust (en deze eenheid is ten slotte dezelfde als de eerste). Zonder twijfel zijn in het beginstadium van het gebedsleven vele gedachten en beschouwingen van node, die onze geest verrijken en ons gemoed bewegen door de overweging van Jezus’ lijden, de mysteries van zijn leven en sterven, de leer der apostelen en van de Kerk, en ons aldus voeren tot daadkrachtige besluiten. En de duur van deze eerste fase mag men niet lichtvaardig bekorten. Zolang de ziel zich tot de eigenlijk gezegde meditatie aangetrokken gevoelt, zolang zij sterkte en troost vindt in deze werkzaamheid van verbeelding en redenerend verstand, moet zij geen andere gebedswijze zoeken. Dit kan lange tijd duren en bij velen wellicht het gehele leven, want God heeft vele wegen om de mens te geleiden tot de volmaakte liefde, waarin alleen de heiligheid is gelegen. Maar ook dan zal gaandeweg ons streefvermogen een grotere rol spelen. Minder gedachten en meer gevoelens van hoop en berouw, vernedering en verlangen, liefde en overgave, zullen onze meditatie doordringen en verinnigen. Doch bij velen, die het inwendig gebed trouw beoefenen, zal toch een dorheid intreden, die een andere is dan de gewone, geregeld terugkomende, bepaald door de kringloop van alle menselijk leven. Zij bestaat veel meer in een onmogelijkheid om te mediteren op de vroegere manier. Voor hen wordt het inwendige gebed teruggebracht tot de beleving van dit éne: „Gij zijt mij God” . En voor allen zonder uitzondering zal het zeer nuttig zijn zich somtijds als het ware naakt en zonder enige andere gedachte voor God te plaatsen en niets te zien, geestelijkerwijze, dan deze twee werkelijkheden: zichzelf en God, het niets en het al.

„Gij zijt mijn God.” Zuiver beschouwen, geestelijkerwijze, God : de oneindige werkelijkheid, waar alle grenzen wegvallen, dus ook al mijn gedachten en begrippen, hoe schoon en heilig ook, – God die de volkomen en enige grond is van mijn wezen voorzover het werkelijkheid is, naar wie mijn wezen geheel uitgaat en in wie het geheel berust, voorzover het bestaat, voorzover het is .

2. „U wil ik roemen en loven uw naam.” Hoe kan het anders in deze beschouwing? Maar de mens, aldus zichzelf stellend tegenover God, in het bewustzijn van Gods onuitsprekelijkheid en zijn eigen onwaardigheid, zijn eigen niets zijn dan een zijn uit God, in God, tot God, zal geen woorden vinden. hij zal geen woorden willen. Silentium tibi laus , de stilte zij u lof. Hij zal niets willen dan verzinken in het eigen niets, dan grondeloze vernedering voor het grondeloze zijn, en tevens gevoelen de met geen enkele beweging vergelijkbare aantrekking tot God, de liefde die terugvloeien wil naar haar bron.

Hij zal, boven alles, zich met geheel zijn wezen verenigen met de lof Gods, die de Kerk zingt in haar eredienst, het élan van zijn ziel lenend aan de onovertrefbare godswoorden der liturgie. Hij weet immers, dat boven alle persoonlijke belevenis geldt de lofprijzing van Christus’ bruid, in wier naam alleen wij zeggen kunnen: „Gij zijt mijn God” .

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)