God onze sterkte

212. Woensdag na de Eerste Zondag na Pinksteren

Wanneer wij na in de vorige dagen het ideaal overwogen te hebben van de godsliefde en de naastenliefde zoals het epistel en het evangelie van de zondagsmis ons dit voorhouden, onze ogen slaan op onszelf, op ons leven en onze daden, dan bedreigt ons het gevaar van kleinmoedigheid en zelfs van moedeloosheid. Indien wij ten minste eerlijk willen zijn en onszelf zien zoals wij in de werkelijkheid staan, voor Gods aanschijn. Want ook deze eis stelt God ons: dat wij zonder te aarzelen, zonder de blik af te wenden of te pogen ons zelf iets wijs te maken, de realiteit onder ogen zien, dat wij staan willen in waarachtige nederigheid . Dan moeten wij een grote afstand vaststellen tussen de volmaaktheid van de liefde die Jezus ons heeft geopenbaard en die de liturgie ons als het program voor deze tijd na Pinksteren voorhoudt, en de miserabele zelfzucht van ons leven, — een kloof zo wijd dat wij er aan wanhopen die te overbruggen. Dan welt ons vanzelf en hartgrondig de bede naar de lippen: „Heer, wees mij genadig! Schenk mij genezing want ik heb tegen U gezondigd” ( Ps. 40, 5 ; graduale ). Dit inzicht is heilzaam. Het vormt de grondslag van ons geestelijk leven, al doet het pijn. Het zou verderfelijk zijn deze werkelijkheid te camoufleren. Het beginpunt van ons geestelijk leven moet zuiver gekozen zijn, met volledige zin voor de werkelijkheid. Wij moeten weten dat wij uit onszelf niets zijn, niets vermogen en alleen de zonde ons eigendom kunnen noemen; wij mogen geen ogenblik denken dat het anders zou kunnen zijn.

2. Wanneer wij aldus met Gods genade ons ontledigd hebben van alle zelfvertrouwen en tegelijkertijd ons de verhevenheid en de volstrektheid van de liefde voor ogen stellen waartoe God ons in Christus roept, dan bevinden wij ons in de juiste gesteltenis om de schone oratie van de zondagsmis te bidden: „God, sterkte van die op U hopen, wees onze smekingen goedgunstig nabij. En daar wij, zwakke stervelingen, zonder U niets vermogen, verleen ons de hulp van uw genade, opdat bij de uitvoering van uw geboden zowel onze gezindheid als onze daden U behagen” . Slechts hij die ervan overtuigd is dat hij het zelf niet kan en in geen enkel opzicht kan, neemt van ganser harte zijn toevlucht tot een ander. Zolang wij menselijke ideeën hebben aangaande de goddelijke eis der liefde, zullen wij menen dat wij zelf toch wel iets vermogen. En zo lang ook zullen wij niet waarachtig vertrouwen en niet waarachtig bidden met het geloof dat altijd verhoring vindt.

3. Maar als wij waarlijk nederig zijn geworden en God alleen alle eer willen geven, mag er ook geen grens zijn aan ons vertrouwen . God is onze sterkte; zijn kracht is almacht die ons in de genade van de Heer Jezus wordt meegedeeld, in zijn offer en de gemeenschap met zijn lichaam en zijn bloed. „Ik dank U, Heer, uit heel mijn hart; ik wil al uw wonderen verhalen. Ik wil mij verblijden en juichen om U, uw naam bezingen, Allerhoogste” ( Ps. 9, 2. 3 ; communiezang). Wij zullen ons dan niet tevreden stellen met een gematigd, menselijk verlangen, doch eerlijk streven naar de idealen van God waarom de Kerk ons leert bidden: opdat wij Hem behagen mogen, en wel geheel, naar gezindheid en naar uiterlijk werk. Want de gehele mens behoort aan God en de Heer ziet op het hart.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *