God zoeken

196. Maandag onder het octaaf van Hemelvaart

„Tot U sprak mijn hart: „Uw aanschijn zoek ik; uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken” ( Ps. 26, 8 ; introitus van de Zondag).

Er zijn mensen wier leven niets is — letterlijk — dan een zoeken van Gods aanschijn. Dit zijn degenen die God heeft geroepen tot het beschouwende leven. Zij zijn hoofdzakelijk te vinden in een bepaald soort kloosters. De wereld beklaagt hen. Zij acht hen buitengesloten van het eigenlijke, het „volle” of het „reële” leven, slaven van een verouderde manier van zelfkwelling en vrijheidsberoving. Bovendien vindt zij dit leven onhygiënisch en gevaarlijk voor de zenuwen. Maar bovenal acht zij dit bestaan nutteloos, een verspilling van tijd en krachten die zoveel beter besteed konden worden. Dit laatste bezwaar wordt niet zelden door overigens goedmenende christenen gedeeld. God en de naasten dienen, prachtig. Zelfs het kloosterleven wil men nog op de koop toe nemen, als het maar op actie gericht is: onderwijs, ziekenverpleging, verzorging van ouden en zwakken, medisch missiewerk. Maar dat mensen die overigens normaal en gezond zijn en zelfs capaciteiten bezitten, zich hun leven lang opsluiten om alleen maar te bidden, dat vinden zij onbegrijpelijk of minstens overdreven en eigenzinnig.

1. Toch worden er altijd christenen gevonden die niet tevreden zijn voor zij dit nutteloze bestaan hebben bereikt. In een wereld die, door bittere nood gedeeltelijk verontschuldigd, vrijwel uitsluitend op stoffelijk nut is ingesteld, zijn er nog die zich bewust zijn van de waarde van belangeloze en „nutteloze” dingen als liefde en kunst, en bovenal, beschouwing en godsliefde. „Zalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.” Zij hebben alles opgeofferd voor dat éne. Zij leven opgesloten in een kleine ruimte. Zij hebben aan hun vrijheid verzaakt. Zij nemen genoegen met sober voedsel en een armzalige en onpractischekleding. Zij missen alle comfort en bijna alles wat, zoals men het noemt, het leven „mooi maakt en waard om geleefd te worden” . Zij zingen Gods lof. Zij lezen en overwegen Gods Woord. Zij verkeren met God, met zijn engelen en zijn heiligen, en strijden met de satan. Zij bidden en boeten; al het andere dient daarvoor en zo het niet dienstig is, wordt het meedogenloos afgesneden. Zij lijden, maar zijn gelukkig. Soms zo gelukkig dat ze het zelf niet weten (de volkomen zaligheid des hemels sluit „zelfbewustzijn” uit, als eindelijk de geschapen geest niet meer in zichzelf tracht te rusten, maar zijn juiste en standvastige positie heeft gevonden in God).

2. Slechts zeer weinigen worden door God tot het contemplatieve kloosterleven geroepen. Doch de kern van dit leven is waarachtig bereikbaar, ook voor hen die een drukke en vermoeiende activiteit ontplooien. „Of zulk een (in God levende) ziel in de ogen der mensen werkeloos is of zich inspant in veelzijdige arbeid, is voor haar zonder betekenis; want in werkelijkheid leeft zij slechts door het éne. Zij leeft het goddelijke leven. Dat is haar werk. De Vader werkt in haar” . Maar om tot dit leven te geraken moet de ziel dan ook onverbiddelijk ernst maken met de eisen van het evangelie. Zij moet, om op Christus te gaan gelijken, haar zelfzucht verloochenen. Zij zal er naar streven in haarzelf, met Gods genade, die wonderlijke paradox te verwerkelijken van een liefde, die geheel gekeerd is naar de mensen en tegelijkertijd steeds zuiverder rust in God alleen, totdat de paradox wordt opgeheven en haar godsliefde en haar naastenliefde volkomen samensmelten. Dan zal zij, in waarheid, God beminnen in de evenmens en, evenals Hijzelf, niets haten van hetgeen Hij heeft geschapen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *