Gods geheimenissen

23. Maandag na de Vierde Zondag van de Advent

„Zó moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus en beheerders van Gods geheimen” ( 1 Kor. 4, 1 ; epistel van de Zondag). Reeds Sint Paulus moest vechten voor een zuivere en echt geestelijke opvatting van het apostelambt. De kritischeKorinthiërs bezagen hem en zijn medewerkers op al te menselijke wijze. Zij lieten zich leiden door een persoonlijke voorkeur die uitging naar de bijkomstigheden zonder te vragen naar het wezenlijke in alle priesterschap: de zending door Christus en de Kerk. Apollos met zijn briljantewelbespraaktheid stelden zij boven de Apostel, die zich weinig gelegen liet liggen aan de rhetorische mode van die tijd en die zich, zoals hij zelf uitdrukkelijk verklaart, juist had voorgenomen in het wufte Korinthe het naakte kruis van Christus te verkondigen zonder franjes en zelfs zonder die verantwoorde aanpassing aan de cultuur van zijn toehoorders waarvan hij zich te Athene nog had bediend. „Wat betekenen Apollos en Paulus ? Wij zijn slechts dienaren door wie gij tot het geloof gekomen zijt en wel naargelang de Heer het eenieder heeft gegeven. Ik heb geplant, Apollos heeft besproeid, maar God heeft de wasdom geschonken. En daarom betekent noch hij die plant iets noch hij die besproeit, doch alleen God” ( 1 Kor. 3, 5-7 ).

1. Daarin ligt de betekenis van het priesterschap: de priesters zijn dienaren van Christus voor de voortzetting van het heilswerk, aan wie de heilsgeheimen zijn toevertrouwd: het woord Gods, het offer der mis en de sacramenten. Niemand kan zich die taak aanmatigen. Alleen hij mag zo optreden die geroepen is als Aäron en gezonden door de Kerk, Christus’ Bruid.

Dus ook de priesterlijke heiligheid is niet het beslissende moment. Hoezeer de priester ook, krachtens zijn roeping, gehouden is tot persoonlijke heiligheid (en God weet hoe streng die verplichting is en hoe groot de ergernis die een onwaardige geeft), niet daaraan ontleent hij zijn macht. Hier wordt van de leken groot geloof gevraagd. Want elke priester blijft mens en de meesten blijven het maar al te zeer. Maar in hun handen rusten de heilsgeheimen Gods. Het is een consequentie der menswording dat het goddelijke gebonden is geworden aan het zwakke vlees. God is ons te hulp gekomen door mens te worden, door een zichtbare gemeenschap te stichten, door aan tastbare tekens genadekracht te schenken, maar tegelijkertijd stelt Hij ons geloof op de proef door van ons te vragen dat wij zijn werking willen erkennen in het menselijke dat ons dikwijls afstoot. Vraagt Hij ons niet in elke mens zijn beeld en Christus’ broeder en zuster te willen zien?

2. De heilsgeheimen van God zijn vervat in de viering van de liturgische jaarkring. De deelname vol geloof aan dit innigste en meest eigenlijke leven der Kerk verenigt ons met Christus en schenkt ons het eeuwige leven.

De geheimen van Jezus’ leven, zijn geboorte, zijn lijden en dood, zijn verheerlijking, worden opnieuw geestelijke werkelijkheid in de feesten der Kerk die steeds hun hoogtepunt vinden in de viering van het misoffer. „Want telkens als de gedachtenis van dit offer wordt gevierd, wordt het werk van onze verlossing voltrokken” ( secreta van de negende Zondag na Pinksteren). De geleerden mogen twisten over de precieseformulering en de wijze waarop wij ons deze „reproductie” moeten voorstellen, het gebed der Kerk en het geloof der christenen wéten, dat dit hoogste werkelijkheid is, mededeling van Jezus’ leven, deelname aan zijn dood en verheerlijking, begin en voorsmaak van de hemel. De wereld gaat hieraan achteloos voorbij. Slechts het geloof dringt door in deze realiteit. Moge in deze dagen van heil ons geloof versterkt worden en, ontvlamd door de liefde, geraken tot de volkomen deelname aan „Gods geheimenissen” .

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *