Gods zorg voor zijn vrienden

217. Maandag onder het octaaf van Sacramentsdag

„Nimmer ontbreekt uw bestier hun die Gij vestigt in uw liefde” (oratie van de tweede Zondag na Pinksteren).

1. Sint Thomas zegt dat de volmaakten zich vooral hierdoor onderscheiden van de beginnelingen en de gevorderden in het geestelijk leven, „dat hun streven er voornamelijk op gericht is God aan te hangen en Hem te genieten en dat zij wensen ‚ „ontbonden te worden en in Christus te zijn” ’ ( Phil. 1, 13 )” ( II IIae, q. 24, a. 9 ). En daarna haalt de grote kerkleraar de woorden aan van Sint Augustinus : „De liefde voor de (bovennatuurlijke) waarheid zoekt een heilige rust in het gebed, terwijl de plichten der naastenliefde ons de arbeid van het werkelijke leven doen aanvaarden. Indien niemand ons deze last oplegt, moeten wij ons toeleggen op de liefdevolle kennis der waarheid. Wordt hij ons wel opgelegd, dan moeten wij hem aanvaarden uit liefde voor onze naaste, maar mogen toch de beschouwing der waarheid niet geheel achterwege laten, opdat deze zoetheid ons niet worde ontnomen en het noodzakelijke werk ons zou terneerdrukken” ( De Civ. Dei , XIX, 19 ). „Wanneer dus iemand van het beschouwende leven tot het actieve wordt geroepen,” zegt Sint Thomas , „dan moet dat geschieden bij wijze van toevoeging, niet bij wijze van vervanging” ( II IIae, q. 182, a. I ad 3 ). Zo iemand moet het eerste niet nalaten, doch er het tweede aan toevoegen.

Men zou geneigd kunnen zijn deze leer als verouderd te beschouwen, als alleen passend in het apostolische ideaal der middeleeuwse kloosterorden, dat natuurlijk de voordelen zowel van het werkende als van het beschouwende leven moest samenvatten en overtreffen. In het moderne stadsleven bijvoorbeeld lijkt een samengaan van contemplatie en actie vrijwel onmogelijk. Ook beschouwing alleen lijkt onbereikbaar tenzij door een radicale vlucht uit de wereld. En ongetwijfeld zal zij gedeeltelijk andere vormen moeten aannemen, die wellicht meer een terugkeer naar de oude Kerk betekenen dan een herhaling van de Middeleeuwen, zoals de vurige deelname aan de liturgie en de schriftlezing. Maar de kern van deze leer blijft actueel en immer geldig. Onze geest moet altijd, en zeker in de onrust en de koortsige jacht van onze maatschappij, rust zoeken in God, kracht en troost vinden in de beschouwing, leven uit geloof en liefde temidden van ons werk.

2. Het ontbreekt ons aan geloof. Wij menen, dat onze activiteit het moet doen. Natuurlijk houden wij in theorie dat de Heer alleen wasdom kan schenken, maar wij handelen daar niet naar. Wij durven er niet naar te leven. Wij vergeten Sint Paulus ‘ woord: „God leidt alles ten beste voor wie Hem beminnen” ( Rom. 8, 28 ). Alles komt goed, maar alleen voor „die Hem beminnen” . We vergeten wat de oratie zo onvergelijkelijk schoon uitdrukt: „Nimmer ontbreekt uw bestier hun die Gij vestigt in uw liefde” . Sint Thomas verklaart die tekst van Paulus als volgt: Een geheel bijzondere voorzienigheid waakt over de rechtvaardigen. Alles wat de uitverkorenen overkomt, zowel in hen als buiten hen, wordt door God gericht op hun geluk. God laat het kwaad slechts toe met het oog op een groter goed. Maar daaruit volgt niet dat het ongeluk dat de lagere schepselen treft, altijd gericht is op hun eigen groter goed, doch God laat het toe voor het welzijn van het heelal en speciaal voor het welzijn der hogere schepselen. De hoogste schepselen zijn de heiligen, ieder van hen is de trouwe dienaar, over wie geschreven staat: „Zijn Heer zal hem aanstellen over al zijn bezittingen” ( Mt. 24, 47 ). Onze enige zorg moet zijn: „gevestigd te zijn en te blijven in de liefde” . En al het andere wordt ons dan toegeworpen. „De ogen des Heren rusten op de rechtvaardigen” ( Ps. 33, 16 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *