Heimwee naar God

4. Woensdag na de Eerste Zondag van de Advent

„Tot U, Heer, heb ik mijn ziel verheven” ( Ps. 24, 1 ). Dit is het grote motief van de eerste adventsweek: het smachtend verlangen naar het heil dat nog ver is. Het verlangen naar God, het heimwee naar het paradijs. De klagende melodie van het ingangslied heft aan, het offertorium neemt het over, zodra de offerhandeling begint en het blijft ons bij, de hele week door. De Kerk slaat aldus aanstonds een grondaccoord aan, grijpend in snaren die diep meetrillen in het gemoed van elke mens. Want deze stemming en gesteltenis vindt eenieder in zich die, voor Gods oog, inkeert tot zichzelf: ellende die roept om God, verlangen dat smekend en vertrouwvol uitziet, als een hulpeloos heffen van zichzelf tot de Heer. „Tot U, o Heer, heb ik mijn ziel verheven. Mijn God, op U vertrouw ik. Laat mij niet te schande worden.”

1. Verlangen duidt gemis aan. Men verlangt wat men niet bezit. Maar niet elk niet-hebben wekt onze begeerte; slechts datgene wat ons op een of andere wijze toekomt, wat derhalve reeds enigermate, in aanleg, het onze is, verlangen wij. Het goede dat de mens in de hoogste zin toekomt, dadt de vervulling uitmaakt van heel zijn wezen, is God alleen. Enkel in God kan onze rusteloze streving tot rust komen. In zichzelf vindt de mens, indien hij doorstoot tot de kern, een onbeperkte onvoldaanheid, een mateloze honger en dorst naar het goede en ware en schone, die door geen enkel schepsel, ook niet door de meest geliefde mens, blijvend en geheel kan worden bevredigd. Dit ingeboren streven naar het volstrekt goede ligt ten grondslag aan al ons willen, vrezen en hopen, treuren en verheugd zijn. Het is de meest fundamentele streving, door God zelf de mens meegedeeld, waardoor hij staat boven de natuur en „beeld God” genoemd mag worden ( Gen. 1 ). Door de zondeval is dit beeld geschonden, maar niet vernietigd. Wel kan de mens — en dat gebeurt helaas in de meerderheid der gevallen — zijn bovenzinnelijke honger als het ware afdempen, overdekken, afstompen door de overgave aan het schepsel. Toch blijft Augustinus ‘ woord waar: „Gij hebt ons gemaakt voor U en onrustig blijft ons hart tot het rust in U” ( Conf. 1, 1 ).

2. Dit alles geldt van elke mens zoals hij voortkomt uit de scheppende hand Gods. Hoeveel te meer geldt het van de christen, wie God door zijn Geest de bovennatuurlijke streving heeft ingestort naar de elke puur menselijke gedachte en aanleg te boven gaande hemelse vereniging met God! In het doopsel ontvangt de christen de Geest als handgift der eeuwige erfenis ( Eph. 1, 14 ), als de gave die roept om de voleinding in het volmaakte kindschap. Dit verlangen is waarlijk een heimwee, een blind maar hevig terugwillen naar de plaats waar wij thuis horen. „Gij zoudt niet naar Mij verlangen, indien gij Mij niet reeds hadt gevonden.”

3. Wij bezitten God op deze aarde nooit volkomen noch onverliesbaar. Het geloven is geen aanschouwen, doch een leven in duisternis; het hopen is geen bezit, maar het smachten der liefde. Het „eeuwige leven” , dat wij in ons dragen, ligt nog bekneld in aardse begeerten. Moge het verlangen naar God zich als een diepe pijn boren in onze ziel. Moge onze zelfzucht dit verlangen niet doven noch onze wezenlijke armoede met schijngoed bedekken. Mogen gebed en kruis ons bewaren in de waakzaamheid van het zuivere verlangen. In het begin van de Advent wekt de Kerk machtig in ons het heimwee naar God, die in Christus het enige heil is van elke mens.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *